Zo'n klein tekort duwt eurozone in depressie

Brussel schiet door in zijn nieuwe strenge begrotingsregels, die zijn opgelegd door Duitsland. Een begrotingstekort van maximaal 0,5 procent is onredelijk en in het verleden zelden bereikt, zegt Johan Witteveen.

Moet Nederland nú extra bezuinigen?Ons land is helaas in een nieuwe recessie geraakt. Daardoor daalt de belastingopbrengst, stijgen de uitgaven voor werkloosheidssteun en neemt het begrotingstekort toe. Het kabinet-Rutte wil dit opvangen door extra bezuinigingen, en wordt hierin gesteund door de Europese Commissie. Maar dat zal de recessie verergeren. Is dat wenselijk of noodzakelijk?

Een nuchtere economische analyse van dit probleem kan licht werpen op de afweging die hier gemaakt moet worden. We moeten dan een duidelijk onderscheid maken tussen het structurele begrotingstekort, zoals dat bij een normale bezetting van het productieapparaat zou zijn, en de conjuncturele groei van het begrotingstekort, dat door de recessie is veroorzaakt. Dat conjuncturele begrotingstekort geeft inderdaad extra groei van de staatsschuld, en dus van de rentelasten in de toekomst. Maar dat deel van het begrotingstekort is tijdelijk en verdwijnt vanzelf bij herstel van de conjunctuur. Die hogere staatsschuld blijft aanvankelijk, maar verdwijnt geleidelijk als het conjuncturele herstel even sterk en langdurig wordt als de recessie is geweest. Dan daalt namelijk het begrotingstekort even sterk als het in de recessie gestegen was, zodat de staatsschuld dan weer langzamer groeit en uiteindelijk de schuldquote (nationale schuld als percentage van het bruto binnenlands product) door een sterkere groei van dat bruto binnenlands product (bbp) weer wordt hersteld. Deze automatisch stabiliserende invloed van de begroting is in de economische wetenschap algemeen gezien als een eerste eis van een verstandige conjunctuurpolitiek.

Om een bepaalde gewenste schuldquote te handhaven, hoort het structurele begrotingstekort – waar het effect van de recessie van is afgetrokken – passend te zijn. Dat structurele tekort loopt volgens de Macro Economische Verkenningen voor 2012 terug naar 2,3 procent. De schuldquote blijft dan op het volgens de Europese richtlijn gewenste niveau van 60 procent. Dat betekent dat bij een nieuwe recessie geen extra bezuinigingsmaatregelen nodig zijn.

Er zouden zelfs bescheiden stimuleringsmaatregelen mogelijk zijn, zoals extra deeltijd werkloosheidssteun. Bij een herstel van de conjunctuur kunnen deze maatregelen vanzelf weer verdwijnen.

Dat zulke maatregelen mogelijk moeten zijn, geldt des te meer omdat de Nederlandse economie al jarenlang een groot overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans (bbp) heeft: over de jaren 2005-2011 gaat het om 4 tot 10 procent. Dat overschot is gemiddeld over deze jaren zelfs even groot (als percentage van het bbp) als dat van China, en groter dan dat van Duitsland. Dat betekent dat wij al jaren meer sparen dan investeren, zodat wij ruimte hebben voor een groter begrotingstekort. In de huidige internationale en Europese situatie zou dat wenselijk zijn. Wij hebben bovendien geen enkel financieringsprobleem. De Nederlandse Staat kan tienjarige leningen afsluiten tegen 2,25 procent – in reële termen, met in aanmerking genomen de stijging van het prijsniveau, is dat dus 0 procent.

Waarom heeft de Europese Commissie dan onlangs bij ons aangedrongen op extra bezuinigingen? Dat zou uit de gemaakte afspraken over de Europese begrotingspolitiek voortkomen. In dat begrotingsverdrag is nu als doelstelling een structureel begrotingstekort opgenomen van 0,5 procent van het bbp – bijna nihil. Dat is een enorme verandering ten opzichte van de doelstelling van 3 procent waar de Europese Unie tot nu toe van uitging. Er schijnt over die belangrijke verandering weinig discussie te zijn geweest. Het was een eis van Duitsland voor verdere financiële steun. De 3 procent is nu een absoluut maximum geworden. Pas duidelijk op weg naar 0,5 procent zou er dan enige conjuncturele flexibiliteit zijn. Dat geeft in de huidige situatie geen enkele ruimte. Ik zie tegen de regels zoals die nu geformuleerd zijn drie bezwaren.

Die 0,5 procent is een ongehoord laag begrotingstekort, dat in het verleden zelden is bereikt. Het zou veel mogelijkheden afsnijden voor overheidsinvesteringen, die belangrijk zijn voor de economische groei. Waarom zou een land, dat daarvoor genoeg besparingen vormt, die mogelijkheden niet mogen gebruiken? De overheid kan dan makkelijk van de eigen bevolking lenen. Dit hoeft dus geen financieringsproblemen te geven. Op de balans komen tegenover de leningen ook bezittingen. We worden niet armer en belasten toekomstige generaties niet meer.

De begrotingsregels zoals die nu zijn, houden geen enkele rekening met het betalingsbalanssaldo op de lopende rekening van een land. Dat komt omdat in een monetaire unie betalingsbalanssaldi niet zichtbaar meer zijn. Er zijn immers geen afzonderlijke valutamarkten. Maar onevenwichtigheden blijven toch reëel, want daardoor bouwen landen positieve of negatieve saldi op bij de Europese Centrale Bank, die natuurlijk niet eeuwig mogen blijven groeien. De Europese Unie kan zich dus alleen zonder spanning ontwikkelen wanneer de onderlinge betalingen zich naar een evenwicht begeven. Dit betekent dat ook het huishoudboekje van de verschillende landen zoveel mogelijk in evenwicht moet komen. Dat is ook belangrijk.

We zien nu dat het streven om begrotingstekorten terug te brengen vaak gefrustreerd wordt, doordat de groei verdwijnt en bezuinigingen de economie doen krimpen. Wij hebben groei nodig om de schuldproblemen op te lossen. De overschotlanden hebben ruimte voor stimulerende maatregelen, die zouden kunnen helpen om ook in de tekortlanden meer groei te krijgen. Zij moeten niet steeds ten koste van deze landen hun overschotten en reserves blijven opbouwen.

En als de landen van de eurozone werkelijk bijna alle begrotingstekorten zouden willen uitsluiten, is het nu wel een heel slechte tijd om daaraan te gaan werken. Het zou de gehele eurozone in een depressie kunnen duwen. De huidige begrotingsregels lijken ons in een verstikkend korset te snoeren.

Willen wij het belangrijke doel van een goede Europese controle op de begrotingspolitiek van de eurolanden bereiken, dan moeten wij niet overdrijven – in het psychologische trauma van de huidige financieringsproblemen – maar vasthouden aan de redelijke structurele norm van 3 procent met conjunctuurpolitieke flexibiliteit daaromheen en variatie voor uiteenlopende betalingsbalansposities. Anders vrees ik dat het doel zo onredelijk en onmogelijk zal blijken dat het toch niet zal worden bereikt.

Dr. H.J. Witteveen is voormalig minister (Financiën, VVD) en voormalig directeur van het IMF.