Column

Wat’ser met jou?!

Ik nam gistermiddag een verkorte fietsroute naar huis die door de Amsterdamse Diamantbuurt leidt. In een van de straten zie ik van ver een jochie op een crossfiets, staand op de pedalen, traag tegen het verkeer in rijdend. Een fietser voor me weet hij goed de stuipen op het lijf te jagen. Hij wacht tot ze dichtbij is, doet dan alsof hij op haar inrijdt en wijkt pas op het laatste moment uit, schaterend van de lach om de schrikreactie van de vrouw. Ouder dan vijftien kan hij niet zijn. Bij mij probeert hij hetzelfde. Ik ga niet opzij, schrik niet, ik kijk hem niet eens aan. Dan trapt het iel, kort ventje op de rem, draait zich naar mij om en schreeuwt met een dik Nedermarokkaans accent: „Ey, wat’ser met jou dan?!”

Een grapjas? Of sluimert er een psychische stoornis in zijn brein?

De Amsterdamse recherchechef Arno Julsing waarschuwde dit weekend in Het Parool dat criminelen in de hoofdstad steeds jonger en gewelddadiger worden. Veel van die jongens zijn gemonitord en vallen onder de Top-600-aanpak. Dit programma ging een jaar geleden van start en is een samenwerking van jeugd- en zorginstellingen, reclassering en politie; ze houden deze jongens permanent in de gaten totdat ze een leven zonder criminaliteit leiden.

Uit eerste onderzoeksresultaten blijkt dat een groot aantal van hen psychisch gestoord is, vertelde Julsing in het interview.

Dat was al eerder bekendgemaakt, op 10 februari. In een persbericht van de gemeente Amsterdam heet het: ‘Vrijwel alle gescreende personen hebben een of meer problemen zoals drugs/drankgebruik, ADHD, psychotische stoornissen, of persoonlijkheidsproblematiek.’

Vergelijk dat met de uitkomst van een onderzoek uit 2010 door stichting Jutters, een instelling voor jeugd- en kinderpsychiatrie, waaruit bleek dat allochtone jongeren relatief vaak in de criminaliteit belanden omdat psychische stoornissen bij hen niet of te laat worden behandeld.

Een tijd geleden was ik op bezoek bij een familielid in een psychiatrische kliniek. Halverwege de twintig, psychotisch en een zwaar crimineel verleden torsend. Ergens op zijn dertiende is het met hem misgegaan. Onhandelbaar werd hij toen genoemd. Politie noch hulpverlener is toen op het idee gekomen te onderzoeken of zijn gedrag niet een voorbode was van de psychische ellende die hem te wachten stond. Geen Top-600-aanpak voor hem, maar celstraf na celstraf die hem verder de desintegratie in hielp.

„Heb ik slechte dingen gedaan, Hassan?”, herhaalt hij als een mantra.

Zeker. Maar wie weet hadden die voorkomen kunnen worden als het justitiële en ambtelijke apparaat wat eerder waren gaan doen met allang bestaande kennis dat jongens zoals hij een kwetsbare psyche hebben.

Als het familielid en ik koffiedrinken in de rookruimte van de kliniek, zie ik ze altijd voorbijslenteren; een onevenredig groot aantal Marokkaanse, Surinaamse en Turkse jongens wier criminele gedrag altijd in allerlei termen is uitgelegd – culturele en religieuze – maar nooit in psychische.