Voor Amsterdam en Rotterdam geldt: het integratiebeleid werkt niet meer

Oude immigrantenDe eerste gastarbeiders, in de jaren vijftig, waren Zuid-Europeanen. Daarna kwamen Turken en Marokkanen. In 1973 werden werkgevers verplicht te stoppen met de werving van mediterrane werknemers, maar de gezinshereniging ging door. Later haalden ook hun kinderen bruiden uit het land van herkomst. Rond 1970 begon ook de immigratie uit Suriname.

Nieuwe immigrantenDe immigratie uit EU-landen was jarenlang stabiel: circa 15.000 mensen per jaar. Maar na de val van de Muur en de uitbreiding van de EU naar het oosten nam die sterk toe, tot 60.000 in 2010. Polen vormen de grootste groep. Eind jaren tachtig nam ook het aantal asielzoekers sterk toe. Het begon met Vietnamezen en Sri-Lankezen. Later kwamen Somaliërs, Irakezen en Afghanen.

Het klassieke Nederlandse integratiebeleid, gericht op etnische groepen, werkt niet meer. Migranten verblijven minder lang in steden, die voor hen steeds meer een tijdelijke verblijfplaats worden. Daardoor is het voor gemeenten moeilijker om grip op hen te krijgen.

Dat is de belangrijkste conclusie van De staat van de integratie, een groot onderzoek naar integratie in Amsterdam en Rotterdam dat vandaag verschijnt. Het onderzoek is verricht in opdracht van beide gemeenten. De onderzoekers vergelijken hoe de beide steden het doen op het terrein van integratie. Behalve verschillen zijn er vooral belangrijke overeenkomsten. Enkele hoofdpunten:

De immigranten van enkele decennia geleden vestigden zich veel vaker dan verwacht permanent. Nieuwe migranten doen dat lang niet altijd. Ze vertrekken naar buiten de stad zodra ze zich dat kunnen veroorloven, of gaan terug naar hun land van herkomst. Kansarme migranten blijven vaak in de stad achter, terwijl de meer succesvollen verhuizen naar de voorsteden. Of zo integreren dat zij niet meer als migranten worden gezien.

In het onderwijs zijn er positieve en negatieve ontwikkelingen. Steeds meer kinderen uit migrantengezinnen gaan naar de universiteit of hogeschool. Toch is de kloof tussen allochtoon en autochtoon de afgelopen tien jaar groot gebleven. Dat komt mede doordat er voortdurend nieuwe migranten naar de stad komen. Die nieuwkomers en hun kinderen zullen nog lang oververtegenwoordigd blijven onder de stadsbevolking.

Het aantal zelfstandige ondernemers groeit fors in beide steden. Toch blijft de positie van migranten op de arbeidsmarkt kwetsbaar, zeker in een tijd van economische terugslag.

Sommige problemen zijn groter in specifieke bevolkingsgroepen. Voorbeelden zijn de slechte gezondheidstoestand van veel Turken, de lage deelname aan verkiezingen onder Surinamers, de dalende arbeidsparticipatie van Antillianen in Rotterdam en de hoge jeugdcriminaliteit in de Marokkaanse gemeenschap.

Stadsbestuurders zien zich voor een grote uitdaging gesteld: hoe kan in steden met een zo snel veranderende bevolking nog sprake zijn van sociale samenhang?

Het overheidsbeleid moet zich daarom richten op alle inwoners van de stad. Dat wil zeggen dat een gemeentebestuur vooral moet werken aan een gezonde stedelijke economie, een veilige leefomgeving en goede, voor iedereen toegankelijke voorzieningen op sociaal, cultureel en educatief gebied.

De betrokkenheid van immigranten bij het nadenken over zulke vragen is onontbeerlijk. Gemeenten moeten geen beleid meer voeren gericht op specifieke groepen, maar zich juist richten op thema’s.

De invloed van de overheid op integratie in de steden moet daarbij niet worden overschat. Het grootst is die invloed bij rechtspositionele en rechtshandhavingsvragen. Verblijfszekerheid is een voorwaarde voor een succesvolle integratie. Maar dat is vooral een zaak voor nationale en Europese overheden. Wel kunnen lokale overheden een groot verschil maken op het gebied van openbare orde.