Meer dan muzes

De artistieke avant-garde van het interbellum bestond niet alleen uit mannen. Het Deense museum Louisiana eist een ereplaats op voor acht vrouwelijke kunstenaars.

Sinds Woody Allens laatste film Midnight in Paris kunnen we ons een levendige voorstelling maken van het nachtleven in Parijs in de jaren twintig. De hoofdpersoon, de jonge Amerikaanse schrijver Gil, belandt er op feestjes waar Cole Porter achter de piano zit en waar naar hartenlust gedanst, gedronken en gerookt wordt. Hij discussieert met schrijvers als F. Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway en ontmoet kunstenaars als Pablo Picasso, Henri Matisse, Man Ray, Luis Buñuel en Salvador Dalí. Allemaal hingen ze er rond, in die roerige jaren twintig. En de boeken, schilderijen, foto’s en films die ze toen maakten, zijn later stuk voor stuk als meesterwerken in de canon bijgeschreven.

Wat in Woody Allens film niet naar voren komt, is dat er in Parijs in die jaren ook veel vrouwelijke kunstenaars werkzaam waren. Vrouwen als Sonia Delaunay, Claude Cahun, Germaine Dulac en Florence Henri, wier namen minder scherp in het collectieve geheugen gebeiteld zijn. Vrouwen die wegbereiders waren als het ging om nieuwe technieken, stromingen en thema’s, maar die desalniettemin in de vergetelheid zijn geraakt, of de geschiedenis in zijn gegaan als ‘getrouwd met’ of ‘muze van’. In Midnight in Paris wordt Gil verliefd op Adriana, een fictieve minnares van Picasso. Ze is mooi en mysterieus en wordt door alle mannen begeerd. Maar dat ze ook een eigen carrière zou kunnen hebben, zoals Picasso’s echte maîtresse Dora Maar, dat was voor Woody Allen blijkbaar een brug te ver.

Drijvende kracht

Op de tentoonstelling Women of the Avant-garde 1920-1940 in het Deense Louisiana Museum wordt nu een dappere poging gedaan dit hoofdstuk uit de geschiedenis te herschrijven. Met ruim tweehonderd werken van acht kunstenaressen wordt aangetoond dat vrouwen tijdens het interbellum vaak de drijvende krachten waren achter avant-gardistische stromingen als dada, surrealisme en constructivisme. En niet alleen in Parijs, maar ook in andere toenmalige kunstcentra als Zürich, Berlijn, Amsterdam en Warschau.

Zo leer je op deze tentoonstelling dat niet Buñuel en Dalí maar Germaine Dulac de eerste surrealistische film maakte. Haar La coquille et le clergyman uit 1928, gebaseerd op een script van dichter Antonin Artaud, werd al snel overschaduwd door de film Un chien andalou, die een jaar later uitkwam. Maar wanneer je Dulacs film over de erotische hallucinaties van een priester ziet, wordt al snel duidelijk dat Buñuel en Dalí goed naar haar film gekeken moeten hebben. Ook hun film zit vol onderdrukte gevoelens uit het onderbewustzijn en vol vreemde, gekantelde camerastandpunten. Dulac had alleen de pech dat Artaud haar verfilming van zijn script verschrikkelijk vond. Tijdens de première van La coquille et le clergyman zou hij naar het scherm geroepen hebben dat de film „de ware aard van de surrealistische beweging” verloochende. Dulac noemde hij „een koe”.

Iets vergelijkbaars overkwam Hannah Höch, die samen met Raoul Hausmann de Berlijnse dadabeweging opzette. Haar politieke collages, waarvan in het Louisiana een schitterende selectie te zien is, werden een handelsmerk van dada. Toch komt Höch er in de geschiedschrijving nogal bekaaid vanaf. Hausmann ontkende in zijn memoires de invloed die Höch had op nieuwe technieken als de fotomontage en noemde haar niet als lid van de Berlijnse Dada Club. Misschien was het wrok – Höch had een tijdlang een relatie gehad met de getrouwde Hausmann, maar verliet hem om een lesbische relatie met schrijfster Til Brugman te beginnen. Hoe dan ook raakte Höch net als Dulac op de achtergrond – tot ze in 1975, drie jaar voor haar dood, geëerd werd met overzichtstentoonstellingen in Berlijn en Parijs.

Wankelende verhoudingen

In veel opzichten moeten de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog voor vrouwen als een bevrijding hebben gevoeld. Sociale structuren en traditionele man-vrouwverhoudingen wankelden. Sinds vrouwen in de Eerste Wereldoorlog massaal in fabrieken aan de slag waren gegaan, werd er niet raar meer tegen werkende vrouwen aan gekeken. In kroegen, op salons en tijdens recepties konden ze zich mengen in het herengezelschap. Je ziet het op de vele historische foto’s die in het Louisiana hangen: de vrouwen zijn one of the guys geworden. Ze roken hun sigaretten door lange smalle pijpjes en drinken net zo hard mee.

De mode weerspiegelde die nieuwe, meer vrijgevochten rol van vrouwen; het korset werd voorgoed verleden tijd, de haren werden afgeknipt, rokken werden korter. De garçonne, het ‘jongensmeisje’, werd een populair stijlicoon. Een fotografe als Claude Cahun speelde met dat meer androgyne vrouwbeeld. Op haar meesterlijke foto’s is te zien hoe ze zich keer op keer in mannenkostuums hult – als een vroege voorloper van Cindy Sherman.

Tegelijkertijd waren er nog steeds beperkingen. Want Parijs mocht dan het culturele hart van Europa zijn, pas in 1944 kregen vrouwen er het recht te stemmen – Frankrijk was daarmee een van de laatste landen in Europa. Veel van de traditionele academies waren voor vrouwen nog altijd verboden terrein. Al wisten veel kunstenaressen dat nadeel slim in een voordeel om te buigen. Bijvoorbeeld door als ongeschoolden niet de traditionele paden van schilder- of beeldhouwkunst te bewandelen. Vrouwen probeerden nieuwe media als fotografie, film en collage uit.

Op ambachtsscholen werden vrouwen wel toegelaten. Veel van de getoonde kunstwerken op Women of the Avant-garde vallen om die reden onder de noemer toegepaste kunst – drukwerk, kostuums, theaterdecors of poppen. In vitrines liggen fantastische abstracte sieraden en geldbuideltjes die Sophie Taeuber-Arp rond 1920 maakte van fijne glazen kraaltjes. Ook is er een reconstructie te zien van haar ontwerp voor de Aubette, een kunstcentrum in Straatsburg dat ze tussen 1926-1928 samen met haar man Hans Arp en de Nederlandse kunstenaar Theo van Doesburg van een spectaculair nieuw interieur voorzag. Met zijn strakke, felgekleurde blokkenpatroon is het een kantine die ook nu nog voor hypermodern door kan gaan.

Sonia Delaunay is misschien wel de bekendste van de acht kunstenaressen op de tentoonstelling. Ze was de eerste levende vrouw die in 1964 haar werk in het Louvre mocht tonen. Maar ook zij offerde zich een groot deel van haar leven op om de carrière van haar man te steunen. Op momenten dat Robert Delaunay zijn schilderijen niet verkocht kreeg, wierp zij zich op als kostwinner. Ze gaf les, opende haar eigen modewinkel Casa Sonia, ontwierp kostuums voor Diaghilevs Ballets Russes. Ze maakte sjaals en sieraden en verkocht stofontwerpen aan het Amsterdamse warenhuis Metz & Co – alles om het gezin draaiende te houden.

„Ik heb drie levens geleid”, zo luidt een van Delaunay’s bekendste uitspraken. „Eén voor Robert, een voor mijn zoon en kleinzoons, en een korter leven voor mijzelf. Ik heb er geen spijt van dat ik mijzelf niet meer aandacht heb geschonken. Ik had er echt de tijd niet voor.”

Women of the avant-garde 1920-1940. T/m 28 mei in het Louisiana Museum, Humlebaek, Denemarken. Inl. louisiana.dk