Kunstzinnig kwaad

Toen de filosofe Hannah Arendt in 1961 het proces tegen Adolf Eichmann bijwoonde, zag ze de banaliteit van het kwaad. Eichmann, een van de grote bureaucraten van de Holocaust, bleek een grijze muis.

Maar zijn baas, Reinhard Heydrich was allesbehalve een grijze man, zo blijkt nu uit de hausse aan boeken over hem. De organisator van de nazi-terreur en massavernietiging van mensen was een muzikaal begaafde Blonde Bestie, schrijft vooral Robert Gerwarth in Hitlers beul, de nieuwe biografie van Heydrich. Alleen in de laatste maanden van zijn in 1942 beëindigde leven had Heydrich, zoon van een componist, het te druk om viool te spelen.

Zijn belangstelling voor kunst deelde Heydrich met opmerkelijk veel andere nazi-kopstukken. Minister van bewapening Albert Speer was architect. Luftwaffe-minister Goering hield niet alleen van kleding maar was ook verwoed verzamelaar van schilderijen. SS-Reichsführer Himmler was niet alleen de opperbeul van het Derde Rijk, maar ook de opperkunstrover. Propagandaminister Goebbels was in zijn jonge jaren literator en kocht expressionistische schilderijen tot Hitler hem erop wees dat die niet Arisch waren.

Hitler zelf had van alle nazileiders de breedste belangstelling voor kunst. Hij was hartstochtelijk liefhebber van de muziek van Wagner en hij schilderde en ontwierp gebouwen voor Germania, de nieuwe hoofdstad die uit Berlijn moest ontstaan.

Muziek, kunst en architectuur speelden zo’n belangrijke rol in het nationaal-socialisme dat historici spreken van de ‘esthetisering van de politiek’: kunst werd ingezet voor de totalitaire verleiding. Sommigen zien in het Derde Rijk zelfs één gigantisch Gesamtkunstwerk dat in een Wagneriaanse Götterdämmerung ten onder ging. Nu zelfs Reinhard Heydrich, Eichmanns baas die door velen wordt beschouwd als de allerergste nazi, een groot passief en actief muziekliefhebber blijkt, is er meer reden om te spreken van de kunstzinnigheid dan van de banaliteit van het kwaad.