Geef de Syriërs een kans

De Syrische oppositie vraagt om wapens en munitie. Dat is precies wat Europa moet geven. En snel.

Europarlementariër

Deze maand is het een jaar geleden dat de inwoners van het zuidelijk gelegen stadje Dera in opstand kwamen tegen het regime van Assad. Toen er enkele kinderen de intussen bekende slogan „Ash-shab yurid isqat en-nizam” (het volk wil dat het regime vertrekt) op muren schilderden, werden ze gearresteerd. Een dag later kwamen ze weer thuis. De politie had de kinderen geslagen en hun vingernagels uitgetrokken. Een klassieker in Syrische politiekantoren. Het verschil met de voorbije decennia was evenwel dat de bevolking van Dera, geïnspireerd door Tunesië en Egypte, dit niet meer pikte. Elke begrafenis van een nieuw slachtoffer van het regime groeide uit tot een nieuwe, grotere manifestatie.

Vandaag, een jaar later, zijn we meer dan 7.500 doden verder. Officieel, want in de realiteit zijn het wellicht 50.000. Elke dag komen nieuwe filmpjes binnen met de meest weerzinwekkende beelden. Kinderen die door mortiergranaten hun armen hebben verloren, hun benen of hun gezicht. En op dit eigenste moment worden in Homs door het leger vergeldingsacties gevoerd waarbij families worden geëxecuteerd of koudweg met messen vermoord. Tegelijkertijd worden de bruggen naar Libanon, de enige vluchtroute naar veiligheid, opgeblazen. En worden hulpverleners en journalisten, de enige buitenlandse getuigen, buitengehouden en als ze toch binnen geraakten zonder pardon omgebracht. De Syrische activist Dany Abdul Dayem, de ‘Voice of Homs’, vertelde me twee weken geleden in het Europees Parlement hoe sluipschutters iedereen die de straat oversteekt zonder onderscheid doodschieten. Ook die ene vrouw met haar baby in de armen die naar haar net neergeschoten man toeliep.

Wat vandaag in Homs gebeurt, maar ook in andere Syrische steden, is van eenzelfde omvang en gruwel als de slachtingen in Sabra en Shatila, Srebrenica of Hama. Het is zo erg dat de inwoners van Homs tot alles bereid zijn, als het moet zelfs een bezetting door Israël. En toch gebeurt er niets. De VN-Veiligheidsraad slaagt er niet eens in om de Syrische dictator Bashar Al-Assad te veroordelen. En de Conferentie in Tunis van de zogenaamde ‘Vrienden van Syrië’ kwam niet verder dan wat nieuwe sancties en de (niet-ingewilligde) eis aan Assad dat hulporganisaties toegang zouden krijgen. Een minister van Buitenlandse Zaken zei in de marge van die conferentie dat verdergaan niet ging wegens „de verdeeldheid van de Syrische oppositie en de schrik voor een burgeroorlog en de uitbreiding ervan naar de hele regio”. Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig.

Want naar wie luisteren de ‘Vrienden van Syrië’ eigenlijk? De Syrische oppositie aanwezig in Tunis was immers erg duidelijk. Hun boodschap op verschillende vergaderingen van de Syrisch Nationale Raad en van Europese vertegenwoordigers (net als twee weken daarvoor in het Europees Parlement) was niet mis te verstaan: „Het regime van Assad zal vallen. De enige vraag is wanneer? Hoe langer het duurt, hoe meer doden er zullen vallen. Heel wat soldaten willen naar de Free Syrian Army overlopen, maar doen het momenteel niet omdat er onvoldoende wapens zijn. Zonder wapens en munitie heeft overlopen geen zin. Geef ons wapens en munitie zodat we het leven van onze burgers kunnen verdedigen.” Vandaag moet de oppositie zich met geweren verdedigen tegen tanks en granaten. Het feit dat ze dat toch relatief lang volhouden, ligt onder meer aan het feit dat een meerderheid van Syrische soldaten geen zin heeft om op de eigen bevolking te schieten. Het is zo erg dat er achter elke linie soldaten een linie van de geheime dienst staat. Een soldaat die niet wil schieten, wordt zelf in de rug doodgeschoten.

Ook over het gevaar voor een burgeroorlog was de Syrische oppositie erg eenduidig. Het verhaal van een sektarische burgeroorlog is het verhaal van Assad. Hij probeert alles om sektarisch geweld tot stand te brengen. Fawaz Tello, een Syrische oppositieleider die tot december in Damascus zat en te gast was in onze fractie, daagde iedereen uit: bekijk alle honderdduizend filmpjes over de protesten in Syrië. Niet één bevat een boodschap tegen welk geloof of welke groep dan ook. Bessam Ishak, een van de leiders van de christenen in Syrië zei: „Noch ik noch iemand van mijn familie of vrienden is bang voor welk sektarische geweld dan ook. Dat heeft in Syrië nooit bestaan. Als er Syriërs zijn die daarvoor wel schrik hebben, dan komt dat omdat ze na al die tijd de propaganda van Assad zijn beginnen te geloven.”

Als we deze mensen niet willen geloven, wie moeten we dan wel geloven? Zij leefden tot enkele weken terug in Damascus, in Zabadani, in Homs. Al decennia verzetten ze zich tegen de dictatuur van de beide Assads en jaren hebben ze daarvoor in de gevangenis doorgebracht. Af en toe verwijst een cynische Europeaan naar Egypte of Libië met de vraag of het daar nu zoveel beter is dan vroeger. Het antwoord is volmondig ja. De Tunesiërs, Egyptenaren en Libiërs genieten van hun vrijheid, al weten ze ook dat er nog veel, nog erg veel werk aan de winkel is.

Om de Syriërs dezelfde vrijheid te geven, is niet zoveel nodig. Het vergt enkel de moed om te doen wat de Syrische oppositie vraagt: zorg ervoor dat ze met gelijke wapens het regime kunnen bestrijden en hun burgers kunnen beschermen. En dat ze de droom van die kinderen in Dera kunnen waarmaken: ash-shab yurid isqat en-nizam. De Verenigde Staten beslisten eergisteren om de oppositie van hulp te voorzien. Als we nog ernstig willen genomen worden, is het hoog tijd dat Europa hetzelfde doet.

Guy Verhofstadt was minister-president van België. Hij is nu voorzitter van de liberale fractie in het Europees Parlement.