De man die nee tegen De Gaulle zei

Over generaal Charles de Gaulle, die van 1958 tot 1969 president van Frankrijk was en, een eind makend aan de rondedans van elkaar opvolgende regeringen die het staatsbestuur sinds 1871 had gekenmerkt, zijn volk eindelijk een sterke staat gaf – over die staatsman hebben er in Nederland altijd, en soms willens en wetens, misverstanden bestaan.

Zo wil de legende dat hij een rechtse man, bijna een fascist, was. Zeker, de intellectuele bronnen waaruit hij in zijn jeugd had geput, waren conservatief. Charles Maurras, een van zijn maîtres à penser, was leider van Action Française, een royalistische beweging, waartoe hij zelf echter nooit behoord heeft. Evenmin was hij antidemocraat en wars van hervormingen. Integendeel, Frankrijk moest van hem een „sociale democratie” worden, en toen het volk in 1969 bij referendum zijn voorstellen voor hervormingen afwees, trad hij af.

Een ander misverstand dat in Nederland een hardnekkig leven leidt, is dat hij van Europa een ‘Europa der vaderlanden’ wilde maken. Maar dat is Europa altijd geweest! De Gaulle wilde een „Europa der staten”, dat wil zeggen: geen supranationaal Europa, het ideaal van de toenmalige politieke klasse in Nederland. Zelfs hoogleraren in de geschiedenis die beter hadden moeten weten, hebben hem het ‘Europa der vaderlanden’ in de mond gelegd.

Prof. H.L. Wesseling behoort niet tot die hoogleraren. In zijn zojuist verschenen boek De man die nee zei. Charles de Gaulle 1890 - 1970 (uitg. Bert Bakker), ruimt hij dit en andere misverstanden op. Maar of zij daarmee de wereld – of het Nederlandse wereldje – uit zijn, is nog de vraag. Evenmin als mensen graag hun illusies kwijtraken, willen ze dat met hun misverstanden. Hun wereldbeeld stort dan in.

De man die nee zei. Inderdaad, De Gaulle zei, anders dan de meesten van zijn landgenoten, in 1940 nee tegen Frankrijks capitulatie voor Hitler. Hij zei nee tegen het Amerikaanse protectoraat over West-Europa, nee tegen Engelands toetreding tot de Europese Gemeenschap, nee tegen een supranationaal Europa, en nee tegen nog heel veel meer. Eens zei hij: „Ik kan geen concessies doen, ik ben daarvoor te zwak.”

Daarmee sloeg hij de spijker op de kop, want nee zeggen is de laatste toevlucht van de zwakke, nadat argumenten hebben gefaald de sterkeren tot andere gedachten te bewegen. Alleen: de zwakke moet dan de moed tonen de gevolgen van zijn nee te dragen, en zó sterk is niet iedere zwakke. De Gaulle was dat wel en kon daarom, in de oorlog, zijn bondgenoten Roosevelt en Churchill tarten en, na de oorlog, wederom de supermogendheden.

Maar ging het hem dan niet om de grandeur van zijn land? Jawel, maar hij was realist genoeg om te beseffen dat dit toneel was. Tegen een vertrouweling zei hij: „Ik doe alsof ik erin geloof. Ik laat de Fransen geloven dat Frankrijk een groot land is. Het is een eeuwige illusie.” Hij deed dit om de Fransen hun zelfvertrouwen te hergeven, en daarin is hij geslaagd.

Als nee zeggen de laatste toevlucht van de zwakke is, dan zal hij er niet gauw in slagen anderen mee te krijgen bij de verwezenlijking van positieve voorstellen, met andere woorden: gidsland te zijn. De Gaulles grote concepties zijn dan ook op niets uitgelopen. De Sovjet-Unie was, twintig jaar vóór Gorbatsjov, nog niet bereid zijn satellieten meer vrijheid te geven in ruil voor een einde van het Amerikaanse ‘protectoraat’ over West-Europa, zoals De Gaulle hoopte.

Ook zijn conceptie van een Europese Politieke Unie, beperkt tot de zes staten van de Europese Economische Gemeenschap – een unie onder Franse hegemonie – is niet geslaagd, en de ironie van de geschiedenis wil dat dit vooral komt doordat De Gaulle hier iemand ontmoette die nee tegen hem durfde te zeggen. Dat was de Nederlandse minister Luns (Buitenlandse Zaken, KVP).

Luns was niet bereid om de Amerikaanse bescherming in de Koude Oorlog in te ruilen voor een afhankelijkheid van het veel zwakkere Frankrijk. Hij had daarbij het voordeel dat de Nederlandse openbare mening, voorzover überhaupt in dit soort zaken geïnteresseerd, toch al tegen De Gaulle gekeerd was, omdat hij niets van Europese supranationaliteit wilde weten (die Luns minder kon schelen). Luns heeft die strijd gewonnen, is Wesselings oordeel, want die politieke unie kwam er niet.

Het merkwaardige is dat De Gaulle en Luns eigenlijk geestverwanten waren: beiden waren voorstander van een sterk staatgezag en beiden lieten zich onbesmuikt leiden door wat zij als het nationale belang zagen. Maar omdat Frankrijk en Nederland verschillende landen zijn, moesten die belangen ook verschillen, ja zelfs botsen. Volgens De Gaulle zou hij in Luns’ positie hetzelfde gedaan hebben. Gezegd kan dus worden dat Luns Nederlands enige gaullist was en juist om die reden met De Gaulle in botsing moest komen.