Correcties bleef je zien

In de rubriek Verdwenen bespreekt Rob Biersma

(bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag: de schrijfmachine. „Een letterhamertje schoot omhoog uit de ingewanden van de machine.”

De eerste keer dat je als kind op een schrijfmachine tikte, schrok je ervan wat er allemaal gebeurde. Je zag een inktlint tevoorschijn komen, een letterhamertje schoot omhoog uit de ingewanden van de machine en knalde tegen een rubberen rol met papier, het hamertje vloog weer terug, onmiddellijk gevolgd door een verplaatsing van het bovendeel van de machine (de wagen) die met een ruk naar links reed, het inktlint viel weer omlaag – en daar stond je eerste letter!

Toch wel leuk. Maar nog voor je je naam, straat, stad, land (wereld, heelal) getikt had, ging er een belletje en een paar letters verder deed de machine het niet meer. Je leerde dat de wagen naar rechts moest en hoe je in één moeite door met een hendel de rol een regel verder kon draaien. Met een shift-toets maakte je hoofdletters, waarmee de hele wagen een stukje werd opgetild. Die shift-toets kon je vergrendelen met een palletje: de shift-lock. Met ‘dode toetsen’, waarbij de wagen bleef stilstaan, kon je vooraf accenten op letters zetten.

Een schrijfmachine was als een opwinduurwerk: je kon alle bewegingen zien en algauw begreep je alles en kon je tikken.

Soms liep de machine vast als twee naastgelegen letterhamers in elkaar verstrengeld raakten. Het QWERTY-toetsenbord werd ontwikkeld om dat zoveel mogelijk te voorkomen: hamertjes van letters die vaak (in het Engels) na elkaar gebruikt worden, werden uit elkaar geplaatst.

Schrijfmachines had je in allerlei soorten. Er waren zware gietijzeren kantoormodellen, die juist buitengewoon soepel werkten, en lichte, draagbare machientjes, die meestal een stugge aanslag hadden.

Veel mensen vonden tikken een gezellig geluid. De componist Leroy Anderson bracht een ode aan de schrijfmachine in The Typewriter, een vrolijk geratel ondersteund door violen. In de jaren zestig hoorde je het nummer vaak op de radio in programma’s als Arbeidsvitaminen en Rechtdoor naar school en kantoor.

Tikkend op een schrijfmachine kon je gelijk kopieën maken. Dat ging met carbonpapier en (dun) doorslagpapier. Er was ook ‘chemisch’ carbonpapier, vooral voor formulieren, die meestal uit drie verschillende kleuren bestonden. Een herinnering eraan bestaat nog in het mailverkeer met de cc: de carbon copy.

Met een schrijfmachine kon je beter geen tikfouten maken. Dan kon je opnieuw beginnen of je moest corrigeren. Dat kon met een kwastje met sneldrogende, witte verf of met een blaadje ‘wit carbonpapier’. Het bekendst was het Duitse merk Tippex. Maar een correctie bleef je zien. Voor een journalist was dat niet erg – de tekst werd toch weer overgetikt op de zetmachine – maar op een notariskantoor waren correcties ondenkbaar.

Het gehamer van een schrijfmachine roept een bepaalde geestelijke gesteldheid op. Nog steeds ontvangt de krant getikte brieven, vrijwel altijd van oude mannen die de redactie de waarheid inpeperen. De schrijver W.F. Hermans bezat een grote verzameling schrijfmachines. Is het denkbaar dat hij Boze Brieven van Bijkaart op een tekstverwerker schreef, of Ik heb altijd gelijk?

Tot de jaren zeventig domineerden de louter mechanische schrijfmachines. Daarna verschenen elektrische machines, sommige zelfs met een elektronisch geheugen, de voorlopers van de tekstverwerkers. Daarna werd de schrijfmachine weggevaagd door de pc. De herinnering bleef met het QWERTY-toetsenbord, de carbon copy en de hinderlijke plaats van de caps-lock.