Armory Show vecht om aandacht

De Armory Show, de grootste New Yorkse kunstbeurs, heeft een probleem: er zijn deze week zo’n twintig culturele evenementen in de stad. Zelfs de fanatiekste liefhebber haalt dat allemaal niet.

Uitdagender kon het bijna niet. Pal voor de ingang van de Armory Show, de grootste en bekendste New Yorkse kunstbeurs, stond gisterochtend Amanda Sharp, co-directeur van de Frieze Art Fair, pontificaal te telefoneren. Sharp en haar Frieze zijn de nachtmerrie van de Armory-organisatoren, sinds de Londenaren vorig jaar aankondigden een New Yorkse variant van hun zeer succesvolle beurs te beginnen.

De pijn werd nog erger toen Frieze in december zijn deelnemerslijst bekendmaakte: die stond bol van internationale topgaleries als Gagosian, Hauser & Wirth, White Cube, Sadie Coles en Andrea Rosen die de Armory dit jaar allemaal mijden. In een wanhoopsoffensief voerde de Armory een groot aantal aanpassingen door: zo werden er nieuwe architecten aangetrokken om de beurs (die plaatsvindt op twee pieren aan de westkant van Manhattan) opnieuw vorm te geven en werden er drie nieuwe programmaonderdelen uit de grond gestampt, waaronder een speciaal performanceproject (performances zijn hip in New York sinds de grote Marina Abramovic-tentoonstelling van 2010) en een speciale sectie voor soloprojecten – een initiatief waarmee collega-beurzen als Art Basel al jaren geleden waren begonnen. Sharp leek er, zo pal voor de ingang, niet van onder de indruk. Ze lachte breed.

Maar de Armory kampt met een aantal kwalen waarover de kunstbeurzen van Amsterdam en Rotterdam sinds kort ook op kleine schaal weten mee te praten: verdeling en versnippering. Jerry Saltz, de bekende criticus van New York Magazine, signaleerde dat er deze week zeker twaalf kunstbeurzen in New York plaatsvinden, waaronder behoorlijk succesvolle als de ADAA (met grote galeries als Marian Goodman en Blum & Poe) en de Independent, waar zich een interessante mix van hip en gevestigd presenteert. Bovendien zijn in de stad ook nog eens tegelijkertijd de Whitney Biennial en de New Museum Triennial, zijn er grote solo’s van Cindy Sherman en John Chamberlain en is er ook nog een prachtige expositie van Renaissance-portretten in het Metropolitan – zelfs de fanatiekste kunstliefhebber die met plezier bereid is zijn tong op zijn schoenen te lopen, haalt dat nooit. Maar daarmee glipt ook het momentum uit de stad: de kunstliefhebbers zijn verspreid en weten elkaar moeilijker te vinden.

Gevolg: op de opening van de Armory, gisteren, was het relatief rustig. Habitués constateerden met plezier dat ze nog nooit zo makkelijk door de gangen hadden kunnen lopen – of kwam dat toch door die nieuwe inrichting? Bovendien spelen veel van de exposanten op veilig; er was opvallend weinig videokunst en veel oude bekenden. De twee enige Nederlandse deelnemers viel wat dat betreft weinig te verwijten: Upstream uit Amsterdam vult een fors deel van zijn stand met een distopische ‘hut’ van Rob Voerman en bij Galerie Ron Mandos kun je niet heen om de grote tekening van de jonge kunstenaar Rik Smits.

Dat doet David Zwirner, de enige grote galerie die na veel bidden en smeken van de Armory-organisatie terugkeerde, anders. Zwirner toont in zijn enorme stand slechts drie schilderijen van de Duitse kunstenaar Michael Riedel – de leegte ervoor gaapt de toeschouwer nadrukkelijk aan. Amanda Sharp zal het allemaal met genoegen hebben aangezien. Als begin mei haar New Yorkse versie van de Frieze opent, is het een stuk rustiger in de stad en staan bijna alle grote galeries weer ‘gewoon’ gebroederlijk bij elkaar. Alsof er niks is gebeurd.