Zonder schending geen privacy

Wie het nieuws volgt, krijgt al snel de indruk dat onze privacy aan het verdwijnen is. Dat klopt. Sterker nog: privacy wordt al 200 jaar met uitsterven bedreigd. En zo hoort het.

Vanavond worden in Amsterdam de Big Brother Awards uitgereikt aan „de grofste privacyschenders van het afgelopen jaar”. Bits of Freedom, de organisatie achter de uitreiking, wil „op een vrolijke manier aandacht vragen voor privacymissers”. Niet dat het privacy aan aandacht ontbreekt: vorige maand nog kwam de Europese Unie met een wetsvoorstel voor strengere privacybescherming online, in Nederland staan komend jaar meerdere internationale privacyconferenties op de agenda en in Engeland is sinds het afluisterschandaal bij News of the World een grootschalig onderzoek naar journalistieke mores aan de gang.

Al die belangstelling voor privacy wordt vaak geweten aan toegenomen privacyschending. Toch betekent een oplaaiend debat niet dat privacy ook daadwerkelijk aan het afbrokkelen is. ‘Privacy’ is namelijk een relatief en ook een historisch begrip: het heeft een geschiedenis en daaruit blijkt dat het eigenlijk altijd op het punt van uitsterven heeft gestaan. Privacy is als een per definitie bedreigde diersoort, een doodgeboren kind, een permanent schaars goed.

Volgens waakhonden, wetgevers, wetenschappers en journalisten is privacy de laatste jaren steeds vaker het slachtoffer van overheden (het Elektronisch Patiënten Dossier, de ov-chipkaart, bodyscanners en bewakingscamera’s), bedrijven (Google, Facebook en telecombedrijven die precies weten waar jij mee bezig bent) en de media (Ruben en De Telegraaf, Friso en NRC Handelsblad). Zelfs gehoorzame burgers dragen aan deze privacy-erosie bij door hun hele hebben en houwen op sociale netwerken te publiceren – en door massaal af te stemmen op, of deel te nemen aan, realityprogramma’s als Big Brother en het meer recente Connected.

De oorzaak is technologische vooruitgang: zonder digitalisering, internet en gps was het immers nooit mogelijk geweest op zo’n grote schaal zoveel data te verzamelen en te analyseren, om complete straten fotografisch toegankelijk te maken, of om van je 345 beste vrienden te weten wat ze vanochtend bij hun ontbijt aten, wat de muziek is die ze op dit moment beluisteren, welk artikel ze nu in The Guardian aan het lezen zijn of waar ze vanavond gaan feesten.

Maar in tegenstelling tot wat dit dood-door-technologie-verhaal suggereert, is privacy geen universele, altijd gerespecteerde waarde die nu opeens wordt bedreigd. Al is het maar omdat privacy voor iedereen wat anders betekent. Duitsland reageerde haast allergisch op Google Maps, terwijl de Nederlandse straten zonder problemen gefotografeerd mochten worden. Topless zonnen is bij ons in Nederland doodnormaal, maar vaak verboden in Amerika. Amerikanen op hun beurt hebben er totaal geen moeite mee hun salaris te bespreken; voor Nederlanders is dat onderwerp privé. En dan hebben we het alleen nog maar over het westen: in delen van de wereld waar de familie of groep belangrijker is dan het individu, is ‘privacy’ nauwelijks een begrip van belang.

Vanaf de klassieke Oudheid en tot aan de 18de eeuw gold de publieke sfeer als beter, belangrijker en vrijer dan het privédomein. In het oude Griekenland stond de privésfeer namelijk voor lichamelijke behoeftes – voedsel, verzorging en voortplanting, alle zaken waarin mens en dier niet van elkaar verschilden. Pas door deelname aan het publieke leven – door te debatteren, te stemmen en wetenschap te bedrijven – kwam een mens volledig tot zijn recht. Vrouwen en slaven, van het politieke leven uitgesloten, hadden wel privacy, maar geen vrijheid, en al helemaal geen gelijkheid: niet voor niets komt ‘privacy’ van het Latijnse privare, wat ‘beroven’ of ‘afzonderen’ betekent.

In een wereld die geloofde dat je alleen door contact met anderen een volwaardig mens kon worden, waren teruggetrokkenheid, eenzaamheid en isolatie gevaarlijke condities. Zo kon je in de Middeleeuwen worden opgepakt wanneer je in je eentje ronddwaalde: zelfverkozen eenzaamheid was een teken van krankzinnigheid.

In de loop van de achttiende eeuw raakte het liberaal-individualistische gedachtengoed, dat het individu boven de groep verhief, steeds meer ingeburgerd. De privacy die wij vandaag in het Westen kennen, stamt uit die tijd: het ideaal is bijvoorbeeld weerspiegeld in ontwikkelingen in de architectuur (aparte kamers), het politieke proces (stemhokjes) en de wetgeving. Dat er zoiets bestond als een ‘recht op privacy’ werd pas in de twintigste eeuw erkend.

Vanaf het begin was er onenigheid over de grenzen van die opgewaardeerde privacy. Zo beklaagden hervormingsgezinde Engelsen zich aan het eind van de achttiende eeuw over de overheid, die zich met hun privéleven bemoeide door negatieve uitlatingen over de monarchie te bestraffen, óók wanneer die in een persoonlijk gesprek in de kroeg waren gedaan.

In de negentiende eeuw jammerde het Britse koningshuis juist over een gebrek aan privacy – journalisten werden steeds opdringeriger en publiceerden de intiemste details uit het koninklijke leven. In Amerika maakten juristen zich zorgen over innovaties als de fotocamera, de telegraaf en de geïllustreerde pers, die het onmogelijk maakten privacy nog te waarborgen. Journalisten uit dat land gebruikten bovendien een nieuwe, controversiële methode om informatie te vergaren: vooral in Europa gold deze methode, het interview, lang als onbeschofte privacyschending. De auteur van een Nederlands handboek over journalistiek speculeerde in 1883 dat het interview ontstaan moest zijn uit een vreemde Amerikaanse karaktertrek: „nieuwsgierigheid naar de details van het privéleven en de meningen van publieke figuren”.

Moderne privacy heeft altijd in de verdediging gezeten. Oftewel: zodra privacy er is, komen we het tekort – dat komt doordat privacy altijd ergens tegen is: tegen staatsinvloed, sociale bemoeienis, journalistieke nieuwsgierigheid. Er is nooit een moment geweest waarop we ‘genoeg’ privacy hadden.

Dat wil niet zeggen dat het privacydebat geen functie heeft: een debat over privacy is immers ook een debat over de grillige, steeds van vorm veranderende grenzen van de maatschappij, over vrijheid van meningsuiting en publieke veiligheid, journalistieke terughoudendheid en politieke transparantie. Elke privacyschending is in dat opzicht een ijkmoment: steeds wanneer een bedrijf, overheid of medium wordt teruggefloten, bepaalt de samenleving wat wel of niet tot het publieke domein behoort. Dus: het ongeluk van prins Friso wel, de woorden van zijn arts niet; mijn profielfoto op Facebook wel, mijn fotoalbum niet. Wie het over privacy heeft, heeft het over individualiteit, autonomie, gemeenschap, vrijheid, en veiligheid – over wat we als samenleving belangrijk vinden dus, en hoe met die waarden om te gaan.

Zo bezien zijn de Big Brother Awards onderdeel van een maatschappelijk debat, waarvan het onderwerp net iets anders is dan iedereen denkt. Want waar het om gaat, is de grens tussen publiek en privé, niet de privacy.

Lynn Berger is nrc.nextredacteur en werkt aan een proefschrift over de geschiedenis van privacy aan Columbia University in New York.