Zette woningcorporatie Vestia de minister met opzet buiten spel?

Eindelijk doorbreekt minister Liesbeth Spies (Binnenlandse Zaken; CDA) de zwijgplicht waarvoor zij zelf had gekozen in de affaire rond Vestia. Morgen overlegt de Tweede Kamer voor het eerst in het openbaar over de flop bij Vestia, de woningcorporatie die miljardencontracten over de rentestand afsloot bij banken en nu met een jammerlijk geldtekort kampt.

Spies heeft, zo blijkt uit een wél openbare brief, de Kamer de afgelopen tien weken al drie vertrouwelijke brieven gestuurd over Vestia’s tekorten. Ook is éénmaal achter dichte deuren overlegd.

Waarom lenen Kamerleden zich daarvoor?

Geheim overleg tussen ministers en Kamerleden is alleen te verantwoorden als de belangen van de staat én de burger op het spel staan en openbaarheid daaraan schade toebrengt. Vandaar dat onderwerpen als de landsverdediging in de geheimhoudingscategorie vallen. Of cruciale rapportages van de inlichtingendiensten. Of een op handen zijnde nationalisatie van een bank of de devaluatie van de munt.

Maar de sneue financiële situatie bij een woningcorporatie? Dat moet toch in alle openheid worden afgewikkeld, ook al is het de grootste corporatie van Nederland met 79.000 huurwoningen in Rotterdam, Den Haag en de zuidwestelijke Randstad.

In haar brief over Vestia verantwoordt de minister zich niet over de noodzaak tot geheimhouding. Bij eerdere debacles bij woningcorporaties, en daaraan was de afgelopen jaren geen gebrek, deed de verantwoordelijke minister steeds wat van hem of haar verwacht werd. De minister benoemde een bewindvoerder die orde op zaken moest stellen en de directie en/of commissarissen vertrokken. Er kwam een onderzoek naar de gang van zaken onder het ancien régime en de oorzaken van het debacle en de nieuwe leiding stelde een saneringsplan op. De Tweede Kamer werd hierover per brief geïnformeerd.

Bij Vestia volgen de twee doorgewinterde crisismanagers dit geijkte draaiboek. Het enige dat ontbreekt is de bewindvoerder. Juist diens benoeming is de invulling van de rol die de minister speelt bij een crisis in de sociale woningbouw. Dat is privaat-publieke samenwerking vol spanning. Corporaties zijn particuliere organisaties (meestal stichtingen), maar zij werken binnen publiek vastgestelde kaders, inclusief een 'vergunning’ en onderwerping aan het toezicht van het ministerie en van het Centraal Fonds Volkshuisvesting. De Rijksoverheid spant het financiële vangnet waar gevallen corporaties in kunnen landen.

Het achterwege blijven van een bewindvoerder suggereert dat de minister geen bewindvoerder kón benoemen omdat Vestia contractueel met de banken was overeengekomen dat zij dan de gewraakte rentecontracten mochten opeisen. Maar Vestia kon dat financieel niet aan. En de minister kon zonder bewindvoerder niet helpen. De waarborgen in de corporatiesector functioneerden niet meer.

Het contractuele voldongen feit lijkt sterk op een hindernis waarmee De Nederlandsche Bank eind 2007 werd geconfronteerd bij het toezicht op de DSB Bank. De toezichthouder wilde ingrijpen met de benoeming van een zogeheten stille curator met vergaande bevoegdheden. Zo’n benoeming moet geheim blijven. Maar toen kwam het addertje uit de contracten. DSB bleek de ratingbureaus te hebben toegezegd dat zij gewaarschuwd werden bij de benoeming van de stille curator. Die was dus al direct niet stil of geheim meer.

Heeft Vestia met zijn banken vergelijkbare afspraken gemaakt om het publieke toezicht en ingrijpen door de minister te frustreren? Dat kunnen de minister en de Kamer niet over hun kant laten gaan.

Menno Tamminga