Wie Frans spreekt, gaat op de bon

Op Vlaamse scholen in de buurt van Brussel zitten steeds meer kinderen die alleen op school Nederlands spreken. Een gevecht tegen het oprukken van het Frans.

Op het schoolplein van het Vlaamse Sint-Pieterscollege in Jette, een Brusselse deelgemeente, spreken bijna alle Franstalige kinderen nu keurig Nederlands. De hele school is „opgeschrikt”, zegt directeur Veronique Vanhercke, door de enorme media-aandacht die er in de Krokusvakantie opeens was voor een nieuwe maatregel: als de kinderen op het schoolplein Frans spreken, krijgen ze een ‘taalbon’. En bij drie van zulke bonnen moeten ze na school extra taalles volgen.

Een boze Franstalige vader werd erover geïnterviewd door de krant La Capitale. Hij had zijn kind naar een Nederlandstalige basisschool gestuurd, ja. Maar in de pauze moesten leerlingen zich toch ontspannen? De ontwikkeling van zijn kind was in gevaar, vond hij.

In België was het meteen een kwestie. Voor Vlamingen was het wéér een bewijs dat Franstaligen zich in een Nederlandstalige omgeving niet willen aanpassen. Voor Franstaligen liet de maatregel zien dat de Vlamingen radicaler worden, onder invloed van de Vlaams-nationalistische partij N-VA van Bart De Wever.

In het najaar zijn er ook nog eens gemeenteraadsverkiezingen in België, er wordt al campagne gevoerd. Na de rel over de taalbonnen kwam de Vlaamse liberaal Irina De Knop, lid van het Vlaams parlement en burgemeester van de gemeente Lennik bij Brussel, met cijfers over scholen in de Vlaamse gemeentes rond Brussel: gemiddeld spreekt ruim 30 procent van de leerlingen thuis geen Nederlands. Er zijn ook scholen in die gemeentes waar zo’n 80 procent van de kinderen niet-Nederlandstalig is.

In de ‘Vlaamse rand’ van Brussel komen al heel lang steeds meer Franstaligen wonen – waar veel Vlamingen over klagen. De laatste jaren zijn er volgens Irina De Knop steeds meer allochtonen bij. Omdat ze Brussel te druk vinden, omdat de huizen te duur zijn of omdat er te weinig plaats is op de scholen.

Voor de Vlaamse scholen buiten Brussel betekent het dat ze ook vol raken. En dat hun leerlingen steeds vaker Nederlands als derde taal hebben, naast bijvoorbeeld het Turks of Arabisch en het Frans.

Basisschool De Kastanjelaar in Vilvoorde, ten noorden van Brussel, ligt tussen een nieuwbouwwijk en straten met oude arbeidershuisjes. In de nieuwbouwhuizen wonen Vlamingen, maar ook veel Franstaligen met een goed salaris. In de kleine huisjes wonen vooral grote allochtone gezinnen.

Er is een nieuw spandoek in de maak voor De Kastanjeleer met de tekst: ‘In het belang van uw kind spreken wij hier Nederlands. U toch ook?’ Het vorige was oud geworden. Elke school in de ‘Vlaamse rand’ bij Brussel die dat wil, krijgt zo’n spandoek via een speciale stichting, met geld van de Vlaamse overheid.

In haar werkkamer zegt directeur Linda Verschueren dat drie jaar geleden 38 procent van haar leerlingen Franstalig was. Nu is het bijna 60 procent en daarvan is het overgrote deel van allochtone afkomst.

In het tweetalige Brussel kunnen Vlaamse scholen Nederlandstalige leerlingen voorrang geven totdat 55 procent van de kinderen Nederlandstalig is. In de Vlaamse gemeentes buiten Brussel, waar geen Franstalige scholen zijn en ouders dus geen keuze hebben, kan dat niet.

Linda Verschueren vindt het niet erg dat zij geen leerlingen mag voortrekken, zegt ze. Ze zou wel graag meer geld hebben om de klassen kleiner te maken.

Verschueren stuurt haar docenten vaak op nascholing om kinderen met een taalachterstand beter te kunnen helpen. Vanaf hun vijfde krijgen Franstalige kinderen extra Nederlandse les. Op het schoolplein is een ‘leeshuisje’ met boeken en ook stripboeken.

Tot nu toe doet haar school het goed in de eindscores en op het schoolplein spreken de kinderen volgens haar bijna altijd Nederlands. Maar ze weet niet hoe het zal gaan als het percentage anderstaligen zo snel blijft stijgen. „Dat is een bekommernis”, zegt ze.

En niet alleen door de taal. „Die kleuters redden zich heel snel. Maar het gaat ook om opvoeding.” De Kastanjelaar probeerde met een ‘moedergroep’ ouders te helpen bij het begeleiden van hun kinderen. Een keer in de maand, met koffie en koek. De eerste paar keer kwamen ze. „Maar we zaten al snel met één mama.”

In sommige Vlaamse gemeentes bij Brussel is de ‘verfransing’ van hun grondgebied allang niet meer de allergrootste zorg. Volgens burgemeester Stefan Platteau van Dilbeek is het probleem nu vooral „de integratie van de vele allochtonen uit Brussel die bij ons aanspoelen”.

Hun tweede taal is Frans. De kinderen spreken dan vaak alleen maar op school Nederlands. Platteau hoort leerkrachten in Dilbeek daar over klagen. „Ze zeggen dat het moeilijker en moeilijker wordt om het onderwijsniveau goed te houden.”

Helpt het dan om kinderen te straffen op het schoolplein, als ze daar ook Frans spreken?

Directeur Veronique Vanhercke van het Sint-Pieterscollege in Jette zegt van wel. Of in elk geval een beetje. De eerste dagen werd er niet één taalbon uitgedeeld. Daarna waren het er, tot vanochtend, zeven. „Ze vergeten het weer”, zegt Vanhercke. „Maar ze zeggen wel zelf: als jullie niet strenger zijn op dat Nederlands, doen we het niet.”