Verhalen uit het fotoboek

Maar dit is geen canon van het Nederlandse fotoboek. We hebben ons vooral gericht op fotoboeken die een verhaal vertellen.

Het fotoboek Hollandse velden (1998) van Hans van der Meer is ondergebracht in de categorie ‘Hollands Landschap’

Dat ene fotoboek, gevonden op de rommelmarkt of in de boekwinkel, waar je eindeloos in bladert en ieder beeld van kent. Voor de één is zo’n boek een eerste kennismaking met een Hollands voetbalveld, voor de ander een inzicht in het leven in de dictatuur in Chili in 1973. Voor Frits Gierstberg was Sweet Life (1966) van Ed van der Elsken zo’n essentieel boek, het begin van een niet aflatende verzamelwoede. Gierstberg, voormalig hoogleraar fotografie en hoofd tentoonstellingen van het Nederlands Fotomuseum, heeft nu met fotohistoricus Rik Suermondt, Het Nederlandse fotoboek samengesteld, een thematische selectie van Nederlandse fotoboeken na 1945. Het wordt zaterdag gepresenteerd in het Fotomuseum in Rotterdam.

Het Nederlandse fotoboek is niet het eerste overzichtswerk, in 1989 verscheen Foto in Omslag. Het Nederlandse documentaire fotoboek na 1945. Na twintig jaar werd het volgens Gierstberg hoog tijd voor een nieuw boek. „In de afgelopen tien jaar heeft het fotoboek een nieuwe status verkregen. Het wordt nu meer beschouwd als een waardevol object.”

Die opwaardering begon in 2000 met Fotografía Pública van de Spaanse curator Horatio Fernandez, een overzicht van de beste internationale fotoboeken uit 1919-1939. Een jaar later kwam de Amerikaanse verzamelaar Andrew Roth met The Book of 101 Books, inmiddels een collectors item, met daarin de baanbrekende fotoboeken van de 20ste eeuw. De populariteit kwam echt op gang in 2004, toen de Britse fotograaf en verzamelaar Martin Parr uit zijn immense collectie The Photobook: A History Volume I samenstelde, van tekst en uitleg voorzien door curator en fotograaf Gerry Badger. Twee jaar later kwam ook Volume II uit. „Beide werken hebben bijgedragen aan de popularisering van het fotoboek. Ze hebben zelfs een ware hype op de internationale markt veroorzaakt”, zegt Gierstberg. Hij noemt als voorbeeld The Table of Power (1996) van de Nederlandse kunstenares Jacqueline Hassink, dat Parr ook in zijn overzicht had opgenomen. „Ruim tien jaar geleden kon je dat nog voor een paar tientjes kopen. Onlangs werd het in New York voor 2000 dollar geveild.” De Britse fotograaf vestigde in zijn overzichtswerken ook meerdere malen de aandacht op Nederlandse fotoboeken, waaronder ook Sweet Life. „Parr heeft ooit gezegd dat Nederlanders de beste fotoboeken maken. Dat sterkte mij in de overtuiging dat het tijd werd dat we nu zelf een overzichtswerk zouden maken.”

Met de verschijning van Het Nederlandse fotoboek zal de aandacht en daarmee de prijs voor de erin geselecteerde boeken stijgen. Logisch, meent Gierstberg. „Dat gebeurt ook met een kunstwerk dat in een museum heeft gehangen.” De drijfveer voor het samenstellen van het boek was dat niet. „We willen laten zien welke belangrijke fotografen we in Nederland hebben”, zegt Gierstberg. „En hoe belangrijk het fotoboek voor de fotografie is. Het is een autonome kunstuiting. Juist met een boek vertelt een fotograaf, op een geconcentreerde manier, iets over zijn of haar visie op de wereld. Bovendien heeft het Nederlandse fotoboek internationaal een bijzondere reputatie vanwege de nauwe samenwerking die fotografen door de jaren heen zijn aangegaan met grafisch ontwerpers.”

Als voorbeelden noemt Gierstberg creatieve duo’s als Cas Oorthuys en Dick Elffers of Ed van der Elsken en Jurriaan Schrofer. „Die samenwerking gaat terug naar de periode van 1945 tot 1968, toen fotografen en ontwerpers nog samen in één vakvereniging (GKf, red.) zaten. Die traditie zet zich voort. In Nederland bestaat ook een grote ontwerpvrijheid. Mede door publicatiesubsidies worden er nog altijd boeken gemaakt die niet bij voorbaat aan de vraag van de markt voldoen.”

Voor Het Nederlandse fotoboek kozen Suermondt en Gierstberg ruim 120 Nederlandse fotoboeken en plaatsten deze in de context van maatschappelijke en fotografische ontwikkelingen. Ze verdeelden de boeken over zes thematisch-chronologische hoofdstukken: bedrijfsfotoboeken, fotoboeken over jeugdcultuur, landschapsboeken, stedenboeken, reisboeken en autonome fotoboeken. Per thema worden telkens twintig fotoboeken beschreven en geïllustreerd met afbeeldingen van de covers en delen van het binnenwerk. De fotoboeken binnen ieder thema kunnen, qua opmaak en inhoud, zeer uiteenlopen. Zo staat Why Not (2009), een fotoboek van Otto Snoek over het hedonisme van de modern Rotterdammer, afgebeeld naast Jeffersonville, Indiana (2005), een boek met portretten van daklozen dat Dana Lixenberg tussen 1997 en 2004 maakte in het Amerikaanse stadje Jeffersonville.

Gierstberg wist uit ervaring al dat het lastig is om een selectie te maken. In 2007 ontstond commotie rondom Nieuwe Geschiedenis van de fotografie – Dutch Eyes, een overzichtswerk van 170 jaar Nederlandse fotografie dat hij met zo’n dertig academici samenstelde. Het boek zou als naslagwerk tekortschieten omdat veel belangrijke fotografie zou ontbreken, zo luidde de kritiek. Kan een soortgelijk probleem zich opnieuw aandienen? Gierstberg vermoedt van wel. „Wat we hebben opgenomen, is natuurlijk onze eigen keuze, zoiets ligt altijd gevoelig. Het is geen exacte wetenschap. En niet iedere fotograaf is per definitie ook een goede boekenmaker. Maar dit is geen canon van het Nederlandse fotoboek. We hebben ons vooral gericht op fotoboeken die een verhaal vertellen. Daarom ontbreken bijvoorbeeld monografieën of conceptuele fotoboeken.”

Maar een paar boeken konden niet ontbreken, zoals Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés (1956) van Ed van der Elsken en Achter Glas, de beeldroman van Johan van der Keuken en Remco Campert uit 1957. „Er zijn natuurlijk werken die hun plek in de geschiedenis allang hebben verworven”, zegt Gierstberg. „Daar konden we niet omheen. En dit overzicht is ook bedoeld om de Nederlandse fotografie in het buitenland te presenteren.”

Opvallend zijn de keuzes voor eigenzinnige publicaties als The Kaddu Wasswa Archive (2010), een visuele biografie die Andrea Stultiens maakte van een Oegandese man, en de boekenserie In almost every picture (2001-2010) met amateurfotografie van artdirector Erik Kessels. „Kessels is internationaal uitgegroeid tot een belangrijke promotor van de amateurfoto. Om hem konden we niet heen. Zijn verzameling zegt veel over deze tijd waarin internet- en amateurfotografie een steeds grotere rol gaan spelen.” Het boek van Stultiens noemt Gierstberg „radicaal”. „Zij heeft het leven van een man gedocumenteerd door met name diens eigen foto’s en plakboeken te fotograferen. Die aanpak is bijzonder.” Of zo’n boek inderdaad zijn plek in de geschiedenis zal verwerven, kan Gierstberg niet overzien. „Dat kan je niet van tevoren weten. Maar dat risico ben ik bereid te nemen.”

Het Nederlandse fotoboek, een thematische keuze na 1945 samengesteld door Frits Gierstberg en Rick Suermondt . NAi Uitgevers, 49,50, Engelse editie | ISBN 978-90-5662-846-8 Zaterdag 10 maart opent in het Nederlands Fotomuseum Rotterdam de tentoonstelling Feest van het fotoboek.