Vechten voor het recht op goedkope pillen

India speelt een sleutelrol bij de productie van goedkope, generieke medicijnen. Maar door een patentstrijd met Novartis en een handelsverdrag met Europa wordt die positie bedreigd.

Hanneke Chin-A-Fo

Redacteur Internationale Economie

Bij het Hooggerechtshof in New Delhi begint binnenkort een proces dat grote gevolgen kan hebben voor de farmaceutische industrie, hulporganisaties en miljoenen patiënten in ontwikkelingslanden.

Het Zwitserse farmabedrijf Novartis wil via de rechtbank een patent afdwingen op een nieuwe vorm van zijn leukemiemedicijn Glivec. Als dat lukt, kunnen Indiase farmaceutische bedrijven veel minder makkelijk goedkope, merkloze varianten produceren. En dat schept een precedent voor andere medicijnen die in India voor een fractie van de westerse prijs worden geproduceerd en waar ontwikkelingslanden van afhankelijk zijn.

Het is een zeer complexe strijd die al jaren sleept, waarbij emoties hoog oplopen en waarheden recht tegenover elkaar staan. Artsen zonder Grenzen voert een harde campagne tegen de zaak met tweets van patiënten, zoals: „Ik smeek Novartis om medicijnen niet ontoegankelijk te maken. Anders eindig ik voortijdig in mijn graf.” De hulporganisatie demonstreerde onlangs in Bazel bij de aandeelhoudersvergadering van Novartis (58,6 miljard dollar omzet in 2011) en zal dat weer doen als het proces begint in New Delhi.

Een woordvoerder van Novartis zegt via e-mail dat het bedrijf met de rechtszaak niets anders doet dan om duidelijkheid vragen. „We moeten weten of we op patenten kunnen vertrouwen in India. Zonder patenten kan er geen onderzoek zijn en zonder onderzoek kunnen we geen nieuwe medicijnen ontwikkelen.”

Waarom speelt dit allemaal in India? Omdat Indiase medicijnfabrikanten een sleutelrol spelen in de wereldwijde beschikbaarheid van goedkope geneesmiddelen. Zij maken merkloze kopieën van medicijnen die oorspronkelijk ontwikkeld zijn door grote farmaceuten. En omdat zij onderling stevig concurreren, is de prijs van deze zogeheten generieke medicijnen de afgelopen jaren steeds verder gedaald. Aidsremmers die in het jaar 2000 nog 10.000 dollar per patiënt per jaar kostten, kosten nu minder dan 100 dollar.

Zodoende kunnen 6,5 miljoen hiv-patiënten in ontwikkelingslanden nu behandeld worden, onder wie 500.000 Indiërs. Daarmee is lang niet iedereen geholpen: nog 9 miljoen andere hiv-patiënten zouden direct hulp moeten krijgen, zegt het Aidsfonds. Hulporganisaties stellen dat door bezuinigingen en verschuiving van de aandacht in veel donorlanden het belang van generieke geneesmiddelen alleen maar groter wordt. En dat India, als ‘apotheek van de wereld’, dus niet mag toegeven aan de druk van ‘big pharma’.

Ruim 80 procent van de eerstelijns aidsremmers die hulporganisaties verstrekken komt uit India. De generieke sector heeft zich juist daar zo sterk kunnen ontwikkelen doordat het land pas in 2005, onder druk van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), patentbescherming in de wet heeft opgenomen. Voor die tijd vond de regering dat gezondheid altijd boven de bescherming van intellectueel eigendom stond. Dat betekende dat geneesmiddelen in India straffeloos konden worden nagemaakt. Dat kan nog steeds, in het geval van medicijnen die vóór 2005 op de markt gebracht zijn.

Ook zijn er geen beperkingen voor geneesmiddelen waarvan het patent is verlopen. Veel middelen tegen tuberculose bijvoorbeeld zijn langer dan twintig jaar geleden ontwikkeld. Daarvan is de samenstelling en de productiemethode voor iedereen vrij toegankelijk. Een derde groep die niet onder het Indiase patentrecht valt, bestaat uit middelen waarvoor de overheid een uitzondering heeft gemaakt, bijvoorbeeld als de volksgezondheid in gevaar is. Volgens Novartis waarborgen deze drie voorzieningen ruimschoots de beschikbaarheid van generieke medicijnen.

Novartis wil met de rechtszaak een bepaald deel van de Indiase patentwet openwrikken. Het gaat om sectie 3(d), waarin staat dat een nieuwe vorm van een bestaand medicijn een beduidend betere werking moet hebben, wil het in aanmerking komen voor een patent. Zo moet worden voorkomen dat farmaceuten steeds opnieuw een kleine wijziging aanbrengen en daarmee hun patent eindeloos kunnen verlengen, het evergreening.

De Indiase autoriteiten wezen op grond van sectie 3(d) een patent voor een nieuwe vorm van Glivec af. Novartis stapte naar het gerechtshof in Chennai en kreeg tweemaal ongelijk. „Als Novartis nu wint en de wet wordt verruimd, heeft dat tot gevolg dat meer bedrijven dit gaan doen en dat beperkt de toegang voor fabrikanten van generieke middelen”, zegt Michelle Childs, die de zaak voor Artsen zonder Grenzen volgt.

Childs vecht op meerdere fronten. Tegelijk met de Novartis-zaak protesteert ze tegen delen van een vrijhandelsverdrag waarover India en de Europese Commissie onderhandelen. Dat verdrag, dat in het najaar klaar moet zijn, is een brede overeenkomst over importtarieven, toegang van Indiërs tot de Europese arbeidsmarkt en douaneafspraken. Het gaat ook over intellectueel eigendom.

Childs is bang dat India toezeggingen hierover ruilt tegen zaken die niets met generieke medicijnen te maken hebben. „De grote farmaceuten schuwen geen middel om toegang te verwerven tot de markten van ontwikkelingslanden. Ze zeggen graag dat India patenten slecht beschermt, maar India voldoet juist aan alle verplichtingen.”

Cipla is een van de grootste Indiase fabrikanten van generieke geneesmiddelen. Het bedrijf verkocht vorig jaar voor 700 miljoen dollar aan generieke medicijnen in India en exporteerde voor een vergelijkbaar bedrag, vooral naar Afrika. Cipla is een van de Indiase fabrikanten die onder vuur liggen van Novartis, voor hun generieke versie van Glivec. De directeur, dr. Yusuf Hamied, wil er niets over zeggen zolang de zaak onder de rechter is.

Over het vrijhandelsverdrag wil hij wel praten. Daarover bestaat vooral veel onduidelijkheid, zegt hij per telefoon vanuit Mumbai. „De onderhandelingen worden in het geheim gevoerd. Dat klopt niet, het gaat wel om miljoenen mensenlevens.” Hamied denkt dat strengere regels weinig gevolgen zullen hebben voor zijn bedrijf. „Wat kan mij het schelen? Ik maak toch geen winst op wat we naar Afrika exporteren, dat zie ik vooral als humanitair werk. Kameroen en Oeganda moeten zich zorgen maken!”

En India zelf ook, vindt Hamied. „De overheid kan zich niet veroorloven dat grote farmaceuten hier monopolieposities krijgen. De Indiase volksgezondheid verkeert in een permanente staat van crisis.” Van de 1,2 miljard Indiërs zijn er volgens hem alleen al 80 miljoen met hartfalen en 60 miljoen met diabetes. „Geen enkele Indiër met gezond verstand kan toestaan dat intellectueel eigendom onderdeel wordt van dit handelsverdrag. Dat is niet iets wat bilateraal moet worden beslist. Dat onderwerp hoort thuis bij de WTO.”

De woordvoerder van Novartis vindt dat India maar eens aansluiting moet zoeken bij de rest van de farmaceutische wereld. „India is een opkomende economie met een farmaceutische industrie die in potentie tot de beste ter wereld behoort.” Door de regels rond intellectueel eigendom te verscherpen, wordt die industrie gestimuleerd om zelf innovatief onderzoek te doen, zegt hij.

Dr. Hamied ziet dat anders. Voor hem staat de beschikbaarheid van bestaande middelen voor de massa’s voorop. „Ik snap niet waarom we niet gewoon een systeem kunnen invoeren waarbij alle middelen kunnen worden gekopieerd tegen betaling van een vergoeding aan de patenthouder.”

Een flink deel van de generieke medicijnen voor ontwikkelingslanden wordt verhandeld via de Nederlandse IDA Foundation in Amsterdam. De stichting, die fungeert als groothandel voor overheden en hulporganisaties, werd veertig jaar geleden opgericht door farmaciestudenten. Nu is het een organisatie met 160 werknemers en een omzet van 165 miljoen euro (2011). Er werken veertig nationaliteiten, om klanten zoveel mogelijk in hun eigen taal te woord te staan. „Vorig jaar hebben we aan 129 landen gefactureerd”, zegt directeur Edwin de Voogd.

Het magazijn in Amsterdam staat vol met merkloze producten: desinfectiemiddelen, wormentabletten en hechtmateriaal uit India, navelklemmen en malariamiddelen uit China, blaaskatheters uit Maleisië en antibiotica uit Cyprus. India en China zijn de belangrijkste leveranciers, Congo en Afghanistan de belangrijkste afzetlanden. Aspirines gaan in potten van duizend stuks. Een belangrijk deel van de toegevoegde waarde van de IDA Foundation is de extra kwaliteitscontrole. „In veertig jaar tijd hebben wij nooit een leverancier kunnen betrappen op een nepmiddel”, zegt De Voogd.

Hij is vooral bang dat door het vrijhandelsverdrag grote farmaceuten meer instrumenten krijgen om partijen generieke geneesmiddelen in beslag te laten nemen. In 2008 hield de douane op Schiphol een aantal partijen tegen die vanuit India op weg waren naar Brazilië, omdat ze nepmedicijnen zouden bevatten. Na lang getouwtrek kwamen ze weer vrij. Cipla vermijdt Nederland sindsdien als doorvoerhaven. De Voogd: „De behandeling van hiv kun je niet onderbreken, dan werken de medicijnen vaak niet meer. Ontwikkelingslanden hebben geen geld om grote voorraden aan te leggen, dus bij een inbeslagname ontstaat al snel een tekort. ”

Het harde actievoeren laat De Voogd over aan Artsen zonder Grenzen en Oxfam. Maar hij deelt hun zorgen omtrent de Novartis-zaak en het vrijhandelsverdrag. „Het minste wat de Europese Commissie kan doen, is ons laten meepraten. Er lopen nu zoveel verdragen en wetgevingen door elkaar heen en de gesprekken zijn zo stroperig dat je geen idee hebt wat er binnenskamers gebeurt.”