Travestie om te lachen of als serieus spel

Een man in vrouwenkleding is kluchtig. Een vrouw in mannenkleding al snel gevaarlijk.

Janet McTeer en Glenn Close

De film- en theatergeschiedenis zit vol travestierollen. Eeuwenlang was het voor vrouwen verboden om op het toneel te staan, zodat vrouwenrollen werden gespeeld door mannen. De muziekgeschiedenis heeft zijn castraten en countertenoren: mannen die met hoge kopstem zingen omdat vrouwen niet mochten optreden.

Tegenwoordig is travestie vooral geinig. Neem de treurige komedie Jack and Jill, waarin komiek Adam Sandler zowel Jack als Jill speelt. Het is de bedoeling dat we lachen, gieren en brullen om zijn platvloerse Jill in haar opzichtige jurk die de knokige mannenknieën maar ternauwernood kan verhullen. Gemakzuchtige humor.

Jack and Jill staat in een traditie. Eddie Murphy speelde een monsterlijk dikke moeke in Norbit (2007), Martin Lawrence deed dat in drie Big Momma’s House-films en de gebroeders Wayans in White Chicks (2004). Platte, karikaturale rollen waaraan veel aanstoot wordt genomen - maar ook passend in een eerbiedwaardige vaudevilletraditie waaruit ook Monty Python putte.

Dat het ook anders kan, bewees Billy Wilder met Some Like It Hot (1960). Hierin zijn Jack Lemmon en Tony Curtis twee werkloze muzikanten die zich uit lijfsbehoud vermommen als Josephine (Curtis) en Daphne (Lemmon) om zich aan te sluiten bij het damesorkest waarin Marilyn Monroe de ukelele speelt. „Nobody’s perfect” is het droge antwoord van de verliefde miljonair als Daphne bekent dat ze een man is en haar pruik aftrekt – een klassieke, voor die tijd subversieve oneliner.

Vrouwen in mannenkleren: daar valt minder om te lachen. Er kleeft iets van gevaar aan, van opstandigheid. In de jaren dertig zetten allerlei androgyne verschijningen vraagtekens bij ‘natuurlijke’ verschillen tussen man en vrouw. Marlene Dietrich hees zich in (mannen)smoking en kuste een vrouw in Morocco (1930), Greta Garbo deed zich voor als man in Queen Christina (1933) en Katharine Hepburn knipte haar haar om in Sylvia Scarlett (1936) door het leven te gaan als Sylvester.

Uitdagende films waarin travestie verder gaat dan hengelen naar de lach. Hier is verkleden een serieus spel. En dat sluit aan bij feministische theorieën die stellen dat mannelijkheid en vrouwelijkheid cultureel zijn. De samenleving definieert welk gedrag ‘typisch’ mannelijk of vrouwelijk is: dat kan je dus ook acteren. Sekse is een maskerade, het verschil tussen man en vrouw diffuus. In Virginia Woolfs Orlando – verfilmd met de androgyne Tilda Swinton in de hoofdrol – wisselt Orlando met het grootste gemak van geslacht. Soms is hij man, soms vrouw: sekse als een keuze.

Dat is niet het geval bij het door Glenn Close gespeelde personage Albert Nobbs. Hij gaat als man door het leven in het negentiende-eeuwse Ierland. Alleen om niet te verhongeren? Of speelt er meer? Het blijft verborgen achter het bewegingloze, porseleinen gelaat van Nobbs, gevangene van zijn rol. Maar als Nobbs om een gestorven vriendin te gedenken even in een jurk over het strand mag dwalen, bloeit ze op. De travestie past haar uiteindelijk niet. Dat is geen statement van de filmmakers: Nobbs ‘vriend’, de rondborstige Hubert, hang wel met groot plezier de man uit. Man en vrouw zijn in Albert Nobbs niet zomaar inwisselbaar; dat zou ook te utopisch zijn.