Spanje nu het stoutste jongetje van de eurozone

Spanje heeft de plaats van Italië overgenomen als het stoutste jongetje van de eurozone. Sinds augustus vorig jaar, toen de markten zich serieus zorgen gingen maken over het vermogen van Silvio Berlusconi om zijn land te regeren, werd Italië gezien als de grote euro-economie met de zwaarste problemen. Italiaanse staatsobligaties brachten meer op dan Spaanse.

Op een bepaald moment in december was de rente op Italiaanse tienjarige staatsobligaties 1,94 procentpunt hoger dan de rente op vergelijkbare Spaanse staatsobligaties. Maar nu zijn de Italiaanse kredietkosten iets lager dan die van Spanje. Economische en politieke factoren zijn verantwoordelijk voor deze ommekeer.

De nieuwe premiers Mariano Rajoy en Mario Monti hebben allebei beloofd hervormingen te zullen doorvoeren om de concurrentiekracht van hun economieën te bevorderen en de tekorten in te dammen.

Maar Monti – die profiteert van zijn geloofwaardigheid als gerespecteerd internationaal technocraat – zou zich doortastender van zijn taak hebben gekweten. Italië moet nog beginnen met de hervorming van de arbeidsmarkt, terwijl Spanje daar al een eind mee op weg is.

Maar Madrid heeft veel minder vooruitgang geboekt bij het terugdringen van zijn begrotingstekort, dat vorig jaar 8,5 procent bedroeg, vooral door de problemen met de spilzieke regio's. Het Italiaanse begrotingstekort was 3,9 procent.

Vorige week heeft Rajoy gezegd dat hij het tekort dit jaar omlaag zou brengen naar 5,8 procent. Maar dat is hoger dan de 4,4 procent die de vorige regering had afgesproken met de eurozone. Madrid is ook nog maar net begonnen de Spaanse bankensector te saneren.

Bovendien zijn de fundamentele economische problemen van Spanje zwaarder dan die van Italië. De werkloosheid bedraagt 23,3 procent, tegen 9,2 procent in Italië. Dat land heeft jaren van trage groei achter de rug, maar de industriële basis is er sterker.

De enige grote smet op de Italiaanse staat van dienst is de staatsschuld, die vorig jaar op 120 procent van het bruto binnenlands product uitkwam, tegen 68 procent in Spanje. Maar de Italiaanse particuliere sector is gezonder dan de Spaanse, en heeft minder schulden.

Al deze factoren betekenen dat het rentevoordeel van Rome ten opzichte van Madrid de komende maanden zou moeten toenemen. Maar op de langere termijn is het beeld duisterder. Monti zal immers niet veel langer dan een jaar aan de macht blijven.

Als de datum van zijn vertrek nadert, zouden beleggers wel eens tot de conclusie kunnen komen dat de zekerheid die Rajoy biedt te verkiezen is boven de onzekerheid van een nieuwe Italiaanse leider. En dat zal helemaal zo zijn als Rajoy ervoor zorgt dat zijn land niet al te veel achterop raakt.

Vertaling Menno Grootveld