Schreeuw om aandacht en van onmacht

Tentoonstelling: Absalon. T/m 13 mei in Museum Boijmans van Beuningen, Inl.: www.boijmans.nl ***

Overal waar je loopt, op de Absalon-tentoonstelling in Museum Boijmans van Beuningen, hoor je een schreeuw. Een harde schreeuw is het, getergd en primitief. En waar je ook bent, hij blijft je achtervolgen, als een soundtrack die alle overige beelden en installaties op angstaanjagende wijze van commentaar voorziet.

Dat is geen pretje.

Sterker nog: de schreeuw zet Absalons andere werken in een navrant daglicht. Zonder was deze tentoonstelling misschien wel bijna sereen geweest, minimalistisch en licht, wat om te beginnen al komt doordat dat al Absalons beelden (op een paar kleine tekeningen en collages na) helemaal wit zijn.

Op deze manier echter, wordt de aandacht vooral gevestigd op de zware kanten van zijn werk. Absalon was (hij is in Nederland nauwelijks bekend) het pseudoniem van de Frans-Israëlische kunstenaar Meir Eshel. In zijn late jeugd moet hij, zoals elke Israëlische jongen, in dienst, maar na drie jaar deserteert hij, trekt zich als een soort kluizenaar terug op het strand van zijn geboorteplaats Ashdod en besluit kunstenaar te worden. Als Eshel, die zich dan al Absalon noemt, genoeg geld bij elkaar heeft gespaard, vertrekt hij naar Parijs, waar hij aan het Institut des Hautes Études en Arts Plastiques les krijgt van onder anderen Sarkis en Daniel Buren. Uiteindelijk duurt Absalons carrière, inclusief studententijd, echter maar zes jaar: in 1993 overlijdt hij op 28-jarige leeftijd. Een oeuvre, in de knop gebroken. De schreeuw wordt meteen een schreeuw om aandacht, een schreeuw van onmacht ook.

Dat idee wordt versterkt doordat Absalons werken die nu worden getoond een tamelijk halfslachtige indruk wekken. Het lijdt geen twijfel: de ambitie spat eraf. Dat zie je vooral in de zes ‘cellen’ in het Boijmans: kleine architecturale structuren, beeld en verblijfsruimte tegelijk, waarin de ideeën van zowel De Stijl (de kaalheid, het minimalisme) als van fantasiearchitecten als Ledoux en Boullée weerklinken. Je kunt de cellen ook in, maar het is duidelijk dat ze niet voor lang verblijf zijn gemaakt: niet alleen zijn ze onaangenaam egaal wit, ze confronteren je als bezoeker ook ongenadig met je eigen lichaam. Voortdurend stoot je ergens tegenaan en zit er een arm, voet of hoofd op de verkeerde plek – een irritante, maar ook confronterende ervaring.

Deze worsteling van het lichaam in de ruimte wordt ook zichtbaar in Absalons video’s. Vooral Gevecht (1993) is goed: een ultrakorte film waarin we Absalon een fysiek ritueel zien uitvoeren dat ergens het midden houdt tussen dansen, vechten en een meditatieoefening. Absalon test duidelijk de grens van zijn lichaam en doet dat zo dwingend dat je automatisch wordt meegesleept.

Maar tegelijk, en dat is het grote probleem, gaat het gevoel niet weg dat Absalons oeuvre als geheel nog veel te pril was, te afhankelijk van andere kunstenaars. Vooral Bruce Nauman nestelt zich vanaf die eerste kreet als een mantra in je hoofd en wil er niet meer uit – het schreeuwen, het ongemak, de fascinatie voor het lichaam in de ruimte, Nauman deed het allemaal al eerder en (meestal) veel beter.

Zo gaat het door: De Stijl, performancevideo’s uit de jaren zestig en zeventig, de witte abstracte beelden van Sol LeWitt: Absalon leunt zwaar op ze en staat te weinig op eigen benen om echt indruk te maken. Zo blijf je uiteindelijk vooral achter met het gevoel dat hier, in de twee grote zalen van het Boijmans, de romantiek van het jonggestorven kunsttalent wordt gevierd. Absalon was zeker een talent, maar zo getoond lijkt het te pril om zo’n ambitieuze tentoonstelling te rechtvaardigen.