Niet-explosief

Dode walvissen ontploffen wel. Foto TV/Midt-Vest (1990)

Een ichthyosaurus van de soort Leptonectes tenuirostris die met zijn schedel verticaal in de Zwitserse rotsbodem is gefossiliseerd, stelde wetenschappers voor een raadsel. De afwijkende positie van dit prehistorische zeereptiel zou veroorzaakt kunnen zijn door een explosie van rottingsgassen in het dode dier. Die zouden de kop de zeebodem in hebben gelanceerd. Deze zogenoemde karkasexplosie-hypothese gaat ervan uit dat dode grote zeedieren (met longademhaling) in eerste instantie blijven drijven, vervolgens ontploffen en naar de bodem zinken zodat hun skeletresten los van elkaar in vreemde posities verstenen. Dit idee is ingegeven door observaties van gestrande zeezoogdieren die door inwendige ophoping van rottingsgassen zwellen en exploderen.

Of dit ook opging voor de dode ichthyosauriërs is onlangs bestudeerd door Duitse en Zwitserse paleontologen, pathologen en forensisch antropologen. In hun publicatie ‘Float, explode or sink: post-mortem fate of lung-breathing marine vertebrates’ (Palaeobiodiversity & Palaeoenvironments 1-2-2012) prikten zij de explosie-hypothese lek. Anders dan walvissen hadden de zeereptielen geen speklaag die hen drijvend hield. Gebaseerd op metingen van de druk in de buikholte van mensenlijken en geitenkadavers concludeerden zij dat dode ichthyosauriërs zich met onvoldoende gas vulden om tot barstens toe op te zwellen. De Zwitserse Leptonectes zonk vermoedelijk dankzij zijn zware kop ondersteboven tot zijn borstvinnen in een soepzachte zeebodem en fossiliseerde zo in de positie die paleontologen de nodige hoofdbrekens bezorgde.