Een bezuinigde euro is geen verloren euro

Tussen hervormen en bezuinigen valt niet te kiezen. Het moet allebei, want de overheid is even groot als onder Den Uyl en door vergrijzing valt er weinig groei te verwachten, vindt Pieter Korteweg.

De recente ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) zijn confronterend, maar vertellen ons wat we eigenlijk allang wisten. De overheid leeft structureel boven haar stand en zal orde op zaken moeten stellen, zowel direct als op termijn. Het nationaal inkomen ligt 2 procent lager dan het percentage waarvan dit kabinet uitging bij zijn start. Sinds het uitbreken van de financiële crisis bedraagt dit verlies zelfs 8 procent.

Terwijl het kabinet eerst nog dacht het beslag van de overheid op de economie substantieel terug te dringen, met achttien miljard euro aan maatregelen, blijven de overheidsuitgaven steken op circa 50 procent van de economie. Dit is hetzelfde peil dat werd bereikt op het toppunt van onze verzorgingsstaat, in de jaren zeventig, onder premier Den Uyl (PvdA). Volgens de projecties blijft het overheidstekort de komende jaren fors boven de gezamenlijke eurozonenorm van 3 procent en neemt de overheidsschuld toe tot ruim 75 procent van het nationaal inkomen.

Het is een gevaarlijke misvatting te denken dat er te kiezen valt tussen hervormen en bezuinigen. Het gaat om beide. We kunnen ons niet uit de budgettaire problemen laten groeien. Omdat onze beroepsbevolking niet meer toeneemt, door de vergrijzing, zal onze economie niet harder groeien dan de arbeidsproductiviteitsgroei van ongeveer anderhalf procent. Dit is fors lager dan in afgelopen decennia. De hervormingen, waarvan velen zeggen voorstander te zijn, zijn juist nodig om deze groei te realiseren op de lange termijn. Met volhouden en met een beetje geluk is wellicht nog net een kwart procent meer mogelijk. Als we niet hervormen, halen we die anderhalf procent niet eens.

Die extra groei is te beperkt en komt te laat om de schuldquote te laten dalen naar de in de eurozone voorgeschreven norm van 60 procent van het bruto binnenlands product, maar bij deze norm zijn landen alleen veilig als we kunnen rekenen op een gemiddelde reële groei en inflatie van samen minstens 5 procent en een rente van niet meer dan 5 procent. Die tijden zijn voorbij. De rente blijft alleen laag zolang de financiële markten Nederland hoog achten. Volgens het CPB ligt de groei tussen 2011 en 2015 op gemiddeld 1 procent en stijgt de prijsindex met ruim anderhalf procent. De Nederlandsche Bank waarschuwt daarom terecht dat de schuld eerder neigt naar 90 procent van het bruto binnenlands product. Dit zou ongekend hoog zijn voor Nederland. Het zou ons komen te staan op meer dan het verlies van onze triple-A rating.

Veel erger is nog dat Nederland – net als de meeste zuidelijke probleemlanden – sinds 2009 een primair tekort heeft. Dit betekent dat de belastingontvangsten zelfs nog tekortschieten als een land geen rente zou moeten betalen. Dit is een blamage. Het is een kwestie van tijd voordat de kapitaalmarkten het ontdekken. Saillant is dat we van probleemlanden als Griekenland, Portugal en Ierland juist een primair overschot eisen voordat we hulp geven. Dit is een onhoudbare situatie, die Finland en Duitsland snel achter zich hebben gelaten en die zelfs Italië heeft weten te voorkomen.

Ombuigen is dus noodzakelijk. Een omgebogen euro is geen verloren euro. Als je als overheid een euro minder uitgeeft, hoef je hem niet weg te belasten of weg te lenen bij de private sector. Het publiek zal deze euro dan zelf uitgeven. Als deze euro wordt opgespaard, komt hij terecht bij banken en pensioenfondsen, die hem uitlenen of beleggen in aandelen of staatsschuld, en dus in bedrijfsinvesteringen of overheidsuitgaven, en dus in bestedingen. De vrees voor blijvende vraaguitval is daarom niet terecht. Niet bezuinigen is erger. Door meer te lenen, worden we alleen maar kwetsbaarder voor de ontwikkelingen op de financiële markten.

Degenen die pleiten tegen bezuinigen en voor stimuleren, gaan te gemakkelijk voorbij aan het feit dat de bestaande overheidstekorten al een stevige demping bieden op de economische schok.

Alleen al in 2011 en 2012 bedraagt deze demping bijna zestig miljard euro. Bovendien hebben de autoriteiten als gevolg van de crisis in 2008 ongekende maatregelen genomen om de financiële sector te behoeden van de ondergang, om niet te spreken van de enorme stimulering die gaande is op eurozoneniveau via de Europese Centrale Bank, die meer dan duizend miljard euro heeft uitgetrokken om banken te redden en de economie te ondersteunen, tegen een rente van slechts 1 procent voor leningen van drie jaar. Een euro die wordt besteed aan het redden van een bank stimuleert de economie net zo hard als een extra euro overheidsbestedingen. Met deze actie verschaft de ECB de banken en de lidstaten stilzwijgend een periode van een paar jaar om orde op zaken te stellen. Dat moeten ze dan ook wel zonder treuzelen doen.

Wat er op Europees niveau gebeurt, hoeven we binnenlands niet nog eens dunnetjes over te doen in ons begrotingsbeleid. Extra stimuleren lekt in een open economie als de onze bovendien weg naar het buitenland. Er is strategische moed nodig om in te gaan tegen de gemakkelijke roep om uitstel van bezuinigen. Dat leidt alleen maar tot onverwachte tegenvallers. Leuk is anders, maar op structurele meevallende groei hoeven we echt niet te rekenen.

Dr. P. Korteweg is vicevoorzitter van Cerberus Global LLC, voormalig thesaurier-generaal, voormalig hoogleraar economie, voormalig voorzitter van het bestuur van de Robeco Groep en voormalig opsteller van het verkiezingsprogramma van de VVD.