Duivelse dilemma's in Syrië

Net als veel wereldburgers kan ook de Amerikaanse senator John McCain het tomeloze geweld in Syrië niet meer aanzien. McCain, vier jaar geleden nog presidentskandidaat voor de Republikeinen, pleit daarom voor een luchtoorlog tegen het regime van Assad.

De Verenigde Staten moeten volgens de senator bombardementen gaan uitvoeren op doelen in Syrië. Een mandaat van de Veiligheidsraad is niet nodig, meent hij. Medewerking van de Arabische Liga volstaat.

Het pleidooi van McCain is maar al te begrijpelijk. Weliswaar snijdt een door anderen wel gemaakte vergelijking met de genocide van 1994 in Rwanda (nog) geen hout. Het beeld dat de laatste weken uit Syrië naar buiten komt, wordt steeds gruwelijker. Met als voorlopig dieptepunt de beelden van een staatsziekenhuis in de met grof geweld bestormde stad Homs, waar de zwaargewonden door de artsen niet geholpen maar gemarteld worden. Dit is meer dan oorlog, dit zijn oorlogsmisdaden.

Toch heeft McCain geen steun gekregen, althans niet in de politieke kring waar uiteindelijk wordt besloten tot ingrijpen. Niet alleen president Barack Obama verwierp het idee. McCains geestverwant John Boehner, de Republikeinse oppositieleider en voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, ging evenmin mee met de senator. „Inmenging is prematuur”, zei Boehner. De situatie in Syrië is „nogal gecompliceerd”.

Dat is bepaald een eufemisme. Syrië heeft een sterk leger, een hechte elite en is religieus verdeeld. Het lijkt niet op het tribale woestijnland Libië. De burgeroorlog in Syrië heeft bovendien veel ingrijpender internationale repercussies. De verhoudingen in de hele regio – van Iran tot Libanon, van Saoedi-Arabië tot Turkije – komen er samen. Ook de geopolitieke positie van Syrië is machtig, gelet op het veto van Rusland en China tegen een Arabisch/Westerse resolutie in de Veiligheidsraad.

Als de NAVO en de Arabische Liga desondanks zouden overgaan tot een of andere vorm van militaire interventie zijn de gevolgen niet te overzien: niet in Syrië zelf noch daarbuiten. Zoals de Russen zeggen: we weten welke ‘schoften’ we nu hebben in Damascus, we weten niet wie we krijgen. De internationale gemeenschap heeft Rusland en China daarom nodig, ongeacht de vraag of die twee geen dubbel spel spelen.

Eerst is het aan voormalig secretaris-generaal Kofi Annan van de VN, die zaterdag namens Arabische Liga en VN in Damascus aankomt, om Rusland en China te bewegen tot meer dan politieke praatjes. Rusland en China zouden het bewind van Assad met een vorm van intimidatie, die deze grootmachten zo eigen is, kunnen dwingen tot een staakt het vuren. Zeker in Rusland is er iets als een publieke opinie die zich ongemakkelijk voelt bij de 7.500 doden die er al zijn gevallen.

Veel tijd heeft Annan niet. Maar hij moet die krappe tijd wel krijgen.