Drank en een gestoord zelfbeeld

Regisseur Eric de Vroedt heeft het zich niet makkelijk gemaakt met het zware stuk Na de zondeval. Maar hij slaagt met vlag en wimpel.

Redacteur Kunst & Cultuur

Na de zondeval (After the fall) van de Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller uit 1964 is vooral bekend omdat Miller hierin zijn korte, stormachtige huwelijk met de filmster Marilyn Monroe heeft verwerkt. Maar het stuk is meer dan dat: een moralistisch zelfonderzoek, vormgegeven als een psychoanalytische sessie.

De centrale vraag is hoe moreel te leven, in relatie tot de vrouwen die een man in zijn leven tegenkomt. Maar ook in de bredere historische context van de communistenjacht van senator McCarthy in de jaren vijftig. En boven dit alles hangt nog de doem van Auschwitz, het kwaad dat alle spreken over menselijke moraal belachelijk dreigt te maken.

Met zo’n topzware agenda is het misschien niet verwonderlijk dat Na de zondeval relatief weinig wordt opgevoerd. Eric de Vroedt, die hier bij Toneelgroep Amsterdam zijn eerste regie voor de grote zaal aflevert, heeft het zich dus bepaald niet gemakkelijk gemaakt. Maar hij slaagt met vlag en wimpel: Na de zondeval is een buitengewoon attractieve en inzichtelijke moraliteit geworden.

In het eerste deel schildert Miller de contouren van het leven van zijn alter ego ‘Quentin’, indrukwekkend gespeeld door Fedja van Huêt, voor en na de ontmoeting met Monroe, hier ‘Maggie’ geheten. Quentins eerste huwelijk, met de redelijke ‘Louise’ (Marieke Heebink) verzandt erotisch in zijn eigen verstandigheid.

Aan het eind wacht de hoofdpersoon ‘Holga’ (Tamar van den Dop), een vrouw die het besef van het kwaad in de mens weet te combineren met zinnelijkheid en op die manier de synthese van Quentins verlangens representeert.

Dit enigszins schetsmatige deel – een lang exposé in feite – kenmerkt zich door prachtig, intensief spel en een inventief decor van Maze de Boer dat aanvankelijk, in overeenstemming met de psychiatrische setting, klinisch oogt, maar geleidelijk steeds meer onvermoede dimensies krijgt. Maar waar iedere toeschouwer op wacht is natuurlijk het tweede deel, over Maggie. Quentin voelt zich tot haar aangetrokken omdat zij, zoals hij zegt, in het ‘nu’ leeft en gewoon ‘is’ – eufemismen voor seksuele aantrekkingskracht.

Karina Smulders ontbeert als Maggie misschien de zwoele sensualiteit van Monroe, maar dat is nauwelijks een bezwaar, want daar gaat Miller toch niet al te zeer op in. De nadruk ligt al snel op de zelfdestructieve neigingen van Maggie, verslaafd aan pillen en drank en kampend met een gestoord zelfbeeld.

Dit tweede deel is een lange waanzinscène tussen een vrouw die te gronde gaat aan gebrek aan liefde en een man die beseft dat al zijn goede wil en verstand hier stuklopen. Voortzetting van de verhouding zou zijn agressiefste impulsen naar boven halen en op den duur zijn maatschappelijke ondergang betekenen.

Zoals past bij een moraliteit laat Na de zondeval de toeschouwer met ongemakkelijke vragen achter. Dat zijn ook de vragen die het leven van Monroe en haar zelfmoord in 1962 oproepen: in hoeverre bijvoorbeeld zijn wij, eerzame burgers die seks een plaatsje geven in ons maatschappelijk bestaan, schuldig aan de ondergang van deze onstuimige vrouw?

Is het haar aan te rekenen dat er niet voldoende liefde was in haar leven? Of stuitte haar ongebreidelde seksualiteit voortdurend op het menselijk, of liever gezegd mannelijk tekort van anderen?

Binnen een over het algemeen vrij verstandelijke regieopvatting spelen Smulders en Huêt het tweede deel zo aangrijpend dat de toeschouwer met dit onverteerbaar brok achterblijft. Wel een paradoxaal effect van een stuk dat Miller vooral geschreven heeft om greep te krijgen op zijn traumatische belevenis. Goed dat het wordt opgevoerd.

Toneel

‘Na de zondeval’ van Arthur Miller door Toneelgroep Amsterdam.

Regie: Eric de Vroedt. Gezien: 4/3 in Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar t/m 10/3. Daarna tournee t/m 31/3. Info: www.tga.nl ****