Strade Bianche

S trade Bianche heet de wedstrijd in Toscane die pas in 2007 voor het eerst werd georganiseerd. Niet dat er over revolutionair asfalt van een afwijkende kleur wordt gekoerst, met de ‘witte wegen’ worden de assepaden bedoeld die de coureurs in soms vrij lange sectoren als pittoreske hindernissen krijgen aangeboden. Met andere woorden, de koers is een knipoog naar lang vervlogen tijden, en daarmee is ze aardig bij de tijd.

Wielrennen is altijd een knipoog naar vervlogen tijden. De traditie die zowel essentie als schoonheid is van deze hopeloos in zichzelf gekeerde sport, wil nu eenmaal dat er stevig en urenlang wordt geleden; in elk geval dat het heroïsche lijden niet tot cosmetische bagatel verwordt. Voorjaarsklassiekers als de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix – ze heten niet voor niets klassiekers – gaan door uithoeken en over plaveisels waar, onder moderne omstandigheden, alleen boeren op tractoren zegevieren.

Strade Bianche, ik vind het een erotiserende naam voor een koers. Zaterdag werd ze live uitgezonden door de VRT. Ik kwam net terug van een uitvaart en werd getrakteerd op ansichtkaarten. Stofwolken, opgeworpen door de malle wielerkaravaan, verwaaiden in nutteloze patronen. De witte wegen waren werkelijk wit van kleur, vanuit de helikopter bekeken. Daarbij leken ze het voor wielrenners meest ongunstige reliëf op te zoeken. Onder een strakblauw firmament lag, om te huilen zo mooi, Toscane, trager dan het waarschijnlijk ooit geweest is.

Ik zag hem in zijn fraaie solo, Fabian Cancellara, de winnaar van de witte wegen. De kont spleet, de rug bibberde op de moeilijkste stukken van het grint. Als gebruikelijk hoor je pas dagen nadien de toedracht achter de winst. Nee, hij had nog lang niet de topvorm die hij pas tegen de Ronde van Vlaanderen hoopt te bereiken. Een oom was pas overleden. De onmacht van verdriet had hij onderweg weten om te zetten in psychische kracht. Hoe? Dat kon hij niet beschrijven; hij vond het nogal een merkwaardige trip.

Hoe het allemaal precies gewerkt heeft in de psyche van Cancellara, daar moeten we maar naar gissen, en daar hebben we eigenlijk ook niks mee te maken. Als Fabian Cancellara het verbaal bij ‘een’ dode oom wil laten, dan verdient dat ons respect.

Helemaal alleen in mijn particuliere schrijversdomein achter het toetsenbordje is een dode oom natuurlijk brandstof voor verbeeldende vragen. Misschien was de overleden oom een na aan het hart liggend klankbord. Misschien was hij een ziekelijke geitenhoeder die alleen door te overlijden de aandacht van Fabian kon trekken. Misschien was hij een brave, hardwerkende fan die in zijn onbestorven grauwheid de woeste hardfietser totaal was ontgaan. Misschien kende Fabian een onbestemd verdriet om het afsterven van authentiek genenmateriaal.

Hoe dan ook, wat je wel vaker ziet in de topsport, is dat de dood genadeloos inspireert.