Oorlogsreporters in Syrië halen veel te weinig wederhoor

Hoe betrokken mag een oorlogsreporter in Syrië zijn bij zijn onderwerpen? Welke rol vervult hij of zij? Arnold Karskens ziet voor de oorlogsverslaggevers maar één functie: die van onafhankelijk waarnemer.

In de publiciteit verdrong een handjevol gewonde en omgekomen oorlogsverslaggevers afgelopen week de veelvoud aan burgerslachtoffers in Syrië. De aanleiding hiervoor vormde de dood van de Amerikaanse journaliste Marie Colvin in de belegerde stad Homs, op 22 februari. De alom bewonderde Colvin was een warm pleitbezorgster van wat in het vak journalism of attachment wordt genoemd – verslaggeving die ‘deskundig én begaan’ is.

‘Hoe betrokken mag een reporter zijn in de Syrische burgeroorlog?’, vroeg Brendan O’Neill zich af op deze Opiniepagina’s van 1 maart.

Ik prefereer de ‘betrokken journalistiek’ van Colvin boven de bekendere ‘embedded journalistiek’. Daarbij accepteren journalisten ongebreidelde censuur in ruil voor voedsel, transport en een veilige slaapplaats, zoals bij het Nederlandse leger in de Afghaanse provincie Uruzgan. ‘Betrokken journalistiek’ kent deze restrictie niet, maar belemmert op vrijwillige basis de nieuwsgaring.

De keuze voor deze vorm van getuigenisverslaggeving is begrijpelijk – niemand neemt het graag op voor een repressief regime – maar het nadeel is dat wederhoor wegvalt, waar de complexiteit van de Syrische burgeroorlog juist snakt naar duiding.

In de berichtgeving over Syrië zijn de sektarische moorden onderbelicht. Voor de grote aanval op Homs van begin februari maakten deze vaak gruwelijke liquidaties, vooral tussen sunnieten en alevieten, de helft uit van het aantal doden in Homs, zei een goed ingevoerde bewoner tegen me. Ze verklaren deels de meedogenloosheid van deze oorlog en zijn een belangrijke indicatie voor het verdere verloop, zoals in de buurlanden Libanon en Irak.

In Syrië steunt – volgens aanhangers van het regime – een groot deel van de 23 miljoen inwoners president Assad. In de media zien we hiervan weinig terug. Meldingen dat ook zijn aanhangers worden gedood – aantallen tot tweeduizend zijn genoemd – worden nauwelijks doorgegeven, net zomin als de smokkel van wapens en de inzet hiervan door de opstandelingen in het begin. Veel Nederlandse media citeren liever mensenrechtenorganisatie Syrian Observatory for Human Rights in Londen, die de burgerdoden uitsluitend wijt aan veiligheidstroepen en criminele bendes die zijn gelieerd aan het regime.

Ook in Egypte en Libië oordeelden ‘betrokken journalisten’ verkeerd. De rechten van koptische christenen en liberale moslims in Egypte wankelen. In Libië heeft dictator Gaddafi plaatsgemaakt voor talloze plaatselijke alleenheersers. Zij hebben evenmin veel op met mensenrechten.

Is ‘betrokken journalistiek’ dan nergens goed voor? BBC-collega Martin Bell vindt dat deze geëngageerde verslaggeving „een rechte lijn” trekt naar westerse militaire interventie in het geval van Libië. Zelf vind ik dat te veel eer. Politici gebruiken informatie van journalisten als deze in hun straatje past. Het Westen wilde sowieso af van de onberekenbare Gaddafi. De ‘betrokken journalistiek’ in Syrië past in de geopolitieke plannen om bondgenoten van aartsvijand Iran uit te schakelen. Een Franse president Sarkozy die gewonde journalisten opwacht, oogt sympathiek, maar misbruikt hun ellende in zijn strijd tegen president Assad.

Aan journalism of attachment kleeft een gevaarlijk nadeel. Door partij te kiezen, creëer je vanzelf een vijand. Het is onduidelijk of Colvin haar locatie heeft verraden door gebruik te maken van een satelliettelefoon en daarmee het dodelijke artilleriebarrage afriep waarbij ook haar Franse collega Rémi Ochlik omkwam – de wijk Baba Amro werd getroffen door honderden inslagen. Het is niet nieuw dat een reporter zelf slachtoffer is van haar of zijn emotionele verslag. De moord op een vierkoppige Nederlandse filmploeg in El Salvador, op 17 maart precies dertig jaar geleden, vloeide voort uit de anti-juntaretoriek en hulpverlening aan de opstandelingen van teamleiders Koos Koster en Jan Kuiper. Reporters uit de Spaanse Burgeroorlog en chroniqueurs van de Tachtigjarige Oorlog lieten hun voorkeur de vrije loop, ook al druist dat in tegen het zuivere doel van de journalistiek: de lezer, kijker of luisteraar vertellen wat er gebeurt en waarschuwen voor gevaren.

Het neigt naar populisme dat ‘betrokken journalistiek’ ondanks de lessen uit het verleden anno 2012 toch in trek blijft. Het is pleasen van de idealistische gevoelens over de ‘Arabische Lente’: ongewapende demonstranten versus dictator. Verder speelt ook de menselijke factor een rol. Journalisten willen graag aardig en meelevend overkomen. Deze contraproductieve eigenschap is schielijk onuitroeibaar gebleken in bijna vijf eeuwen oorlogsverslaggeving.

Zelf bepleit ik ‘onafhankelijke journalistiek’ – zo neutraal mogelijk berichten en een podium bieden aan partijen die in de nieuwsvoorziening ondergeschoven zijn. De verslaggever moet op de koop toe nemen dat hij zo minder vrienden maakt. Per slot van rekening hoeft niemand van oorlogsjournalisten te houden.

Arnold Karskens is oorlogsverslaggever voor dagblad De Pers en Nederlandse actualiteitenrubrieken. Hij is auteur van Pleisters op de ogen, een geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving, en bezocht Homs afgelopen januari.