Is de journalist niet te betrokken bij de oorlog?

De in Syrië gedode journaliste Marie Colvin deed haar werk op het activistische af. Er moet een debat komen over de rol van oorlogsverslaggevers, vindt Brendan O’Neill.

De dood van oorlogscorrespondente Marie Colvin van The Sunday Times in het Syrische Homs is een vreselijk verlies voor de Britse journalistiek. Ze kwam samen met de Franse fotograaf Remi Ochlik om het leven door een raket, afgevuurd door troepen die trouw zijn aan het steeds wanhopiger bewind van president Assad.

Ik heb haar maar eenmaal ontmoet, toen we beiden deelnamen aan een tv-debat over internationale aangelegenheden, en ik vond haar deskundig, maar ook gepassioneerd.

In een tijd dat te veel journalisten weinig meer dan veredelde pr afscheiden, of anders afgaan op de gelekte documenten van een Australische onruststoker, kunnen we verslaggevers à la Colvin goed gebruiken – mensen die bereid zijn hun kantoor uit te komen en risico te nemen om een verhaal te bemachtigen.

Tegelijkertijd vraag ik me af of de dood van Colvin niet duidt op de inherente gevaren van het soort journalistiek dat zij beoefende – niet zozeer de oorlogsverslaggeving, want dat zal altijd een waagstuk blijven, maar de ‘betrokken journalistiek’.

Deze journalism of attachment werd door BBC-veteraan Martin Bell, de oorlogscorrespondent die er min of meer de grondlegger van was, omschreven als journalistiek die „deskundig én begaan” is.

Bell vond halverwege de jaren negentig dat journalisten een nieuwe ‘morele verplichting’ hadden om in conflictgebieden onderscheid te maken tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ en zonodig partij te kiezen. Maar als journalisten zich veroorloven om morele strijders, kruisvaarders tegen ‘het kwaad’, in plaats van verslaggevers van de feiten te worden, dan bestaat toch het gevaar dat ze worden behandeld als strijders?

De necrologieën van Colvin prijzen haar omdat ze meer dan een verslaggever was. Ze deed „meer dan alleen schrijven”, zegt Roy Greenslade in The Guardian. Blijkbaar nam ze de oorlog niet alleen waar, maar speelde ze er ook een rol in. Zo schijnt ze in 1999 in Oost-Timor een verlosser te zijn geweest, die hielp bij de redding van „1.500 vrouwen en kinderen, belegerd door troepen met steun van Indonesië”. In de jaren negentig voegde ze zich bij het Bevrijdingsleger van Kosovo, de hoogst twijfelachtige strijdmacht die toen voor ‘goed’ werd gehouden, en ging mee op de veldtochten tegen de Serviërs – toen algemeen als ‘kwaad’ beschouwd.

Vanaf de jaren negentig werd het soort post-objectieve, betrokken journalistiek à la Bell, Colvin en vele anderen van de generatie oorlogsverslaggevers na Bosnië vaak gebruikt – door journalisten zelf, maar ook door politici – in een poging westerse troepen, meestal van de NAVO of Verenigde Naties, te bewegen tot ingrijpen in bloedige burgeroorlogen.

Sterker nog, in zijn in memoriam van Colvin in The Times zei Bell dat journalisten zoals zij en hij „het regeringen graag moeilijker maakten om afzijdig of onverschillig te blijven”. Vorig jaar bijvoorbeeld zouden volgens hem zonder de betrokken journalistiek uit Libië „de Engelsen en Fransen niet gedaan hebben wat ze gedaan hebben” – de uitvoering van bombardementen in Libië.

Volgens Bell loopt er dus een rechte lijn van de nieuwe betrokken, emotionele journalistiek naar de feitelijke westerse militaire interventies. Dan gaat het echt om ‘meer dan verslaggeving’ – dan is het vaak een noodkreet om militaire steun van buiten aan mensen die voor ‘goed’ worden gehouden tegen mensen die als ‘kwaad’ worden beschouwd.

‘Betrokken journalistiek’ betekende een niet-onomstreden keerpunt in de geschiedenis van de oorlogsverslaggeving. Door betrokkenheid boven neutraliteit en emotionaliteit boven objectiviteit te stellen, is het nieuwe type betrokken verslaggever meer een soort activist, een internationaal campagnevoerder geworden dan iemand die feiten vastlegt.

Het is ook nog mogelijk dat deze journalisten door zich in een conflict betrokken op te stellen, het gevaar lopen dat ze zich tot doelwit maken. Algemeen wordt beweerd dat het bewind-Assad doelbewust zijn vizier had gericht op het provisorische mediagebouw in Homs waar Colvin en andere westerse verslaggevers hun werk deden.

Zou het ook kunnen dat Assad het inmiddels heeft gemunt op buitenlandse verslaggevers omdat ze eigenlijk ‘meer dan verslaggevers’ zijn? Omdat – in hun eigen woorden – het soms hun doel is om het verloop van oorlogen te wijzigen en westerse invallen uit te lokken?

Brendan O’Neill is redacteur van het Londense Spiked Online. Dit is een ingekorte versie van een artikel dat verscheen in ABC News in Australië.