‘Ik geloof nu in de kracht van de mensen’

Sabrina Leidelmeijer (29) groeide op in de benauwende wereld van Jehovah’s Getuigen. Ze trouwde op haar 19de en scheidde. Nu is ze van het geloof afgestapt en ontvangt ze couchsurfers.

Sabrina Leidelmeijer: „Mij was altijd voorgehouden dat gastvrijheid alleen mogelijk was binnen de eigen geloofskring.” Foto Bob van der Vlist

Op tafel staat een lichtblauwe schoenendoos met haar verleden. „Mijn JG-doos”, noemt ze hem half spottend, half liefkozend. Tijdens het gesprek haalt ze er zo nu en dan wat uit, een Wachttoren, een boekje getiteld ‘Blijf in Gods liefde’, volgekriebeld met aantekeningen. Het lesprogramma van de pioniersschool in Uden, waar ze in 2008 twee weken intern was om met nog meer vuur het geloof te verkondigen. Ze was er goed in. „Ik was een voorbeeld voor anderen”, vertelt ze.

Sabrina Leidelmeijer (29) is een sprankelend, levenslustig iemand. Ze ziet er jong uit voor haar leeftijd, allesbehalve door het leven getekend. Toch heeft ze al heel wat achter de rug. Ze groeide op in Etten-Leur, in de christelijk-fundamentalistische gemeenschap van de Jehovah’s Getuigen. Een benauwd geloof, met strenge leefregels. Omgang met buitenstaanders wordt sterk ontmoedigd, een relatie met een ‘werelds’ persoon is niet toegestaan. Feesten (verjaardagen, maar ook Kerstmis en Pasen) worden niet gevierd.

Wanneer merkte je voor het eerst dat jullie gezin anders was?

„Op de basisschool nog helemaal niet. Ik zat op een school met veel allochtone kinderen, iedereen was anders en dat accepteerden we van elkaar. Er zaten meer kinderen van Jehovah’s Getuigen op die school, en speciaal voor ons organiseerden ze een week voor Sinterklaas een alternatieve surprisemiddag. We deden hetzelfde als de andere kinderen, alleen heette het geen Sinterklaas.

„In de brugklas ging ik me ervoor schamen dat ik Jehovah’s getuige was. Klasgenoten reageerden vervelend als bleek dat ik niet naar schoolfeesten mocht, en geen verkering mocht hebben met iemand buiten het geloof. Ik was doodsbang dat ik mensen van school tegenkwam als ik met mijn ouders langs de deuren ging.”

In 3 havo gebeurde het toch: Sabrina kreeg verkering met een ‘wereldse’ jongen. Drie jaar lang hield ze de relatie geheim. Dat werd steeds lastiger, haar vader had al eens voor de deur gestaan bij haar vriend, in het vermoeden dat zijn dochter daar was. Ze moest kiezen, een besluit nemen.

Wat was het dilemma?

„Als ik voor mijn vriend zou kiezen, moest ik weg van huis en dat betekende dat ik mijn twee jongere broertjes moest achterlaten, voor wie ik me megaverantwoordelijk voelde. Maar ik hield ook heel veel van mijn vriend, en hij van mij. En toen kreeg ik een soort van euforische openbaring. Ik ervaarde ineens een connectie met Jehovah, zodat ik dacht: ‘Hé, hij bestaat toch!’

„Ik heb dat gevoel omarmd, me eraan vastgeklampt, en besloten: ‘Als ik dan voor God kies, doe ik het goed.’ Ik maakte het uit met mijn vriend, liet me dopen en ging als pionier het geloof verkondigen, zeventig uur per maand. Twee jaar later – op mijn negentiende – trouwde ik met een Jehovah’s getuige.

„Dat leven heb ik acht jaar volgehouden, totdat er te veel dingen waren gebeurd. Mijn moeder was bij m’n vader weggegaan. De oudste van m’n twee broertjes was uit het geloof gestapt. Zelf was ik intussen gescheiden. De manier waarop ik vanwege die scheiding verantwoording moest afleggen aan de ouderlingen, oude mannen die niets van me begrepen, had me enorm gestoord. Ik ging steeds meer twijfelen, ik wilde niet meer gedirigeerd worden. Diep van binnen wist ik dat dit geloof niet bij me paste.”

Terwijl je behoorlijk fanatiek was.

„Ik zat met tranen in de ogen bij de doop van een moeder en een dochter, die door mij waren bekeerd. Maar tegelijkertijd was ik altijd stiekem jaloers als mensen eruit stapten. Mijn broer, mijn nichtje. ‘Die durft ’t wél’, dacht ik dan. Op de pioniersschool herinner ik me nog dat ik de klas rondkeek en me afvroeg wie er vijf jaar later nog over zouden zijn en wie niet. Want je weet dat er altijd mensen zijn die breken met het geloof. ‘Misschien hoor ik daar ook wel bij’, dacht ik toen. Parallel aan mijn geloof – want ik hield écht van Jehovah – en parallel aan mijn inzet voor het veldwerk was er altijd die gedachte dat ik ermee zou stoppen.”

Hoe verklaar je dat?

„Een sterke behoefte aan een eigen identiteit denk ik, om te doen wat ik zelf wilde. Zelfs als brave pionierster met een nette rok aan en een veldwerktasje om liep ik met drie oorbellen in één oor.”

En je zag natuurlijk om je heen hoe andere mensen leefden.

„Precies, je leeft in de wereld en ziet dat anderen wel hun eigen keuzes kunnen maken. Ik was graag naar de kunstacademie gegaan, ik had creatief talent, ik won zelfs een prijs op de middelbare school. Maar in plaats daarvan ben ik na een jaar secretaresseopleiding parttime op kantoor gaan werken.

„Toen ik David ontmoette op de bruiloft van een collega en we verliefd werden, was het definitief afgelopen. Ik ben naar mijn vader gegaan, en vertelde hem over David. ‘Je weet hoe ik nu moet reageren’, zei mijn vader. ‘Ja, dat weet ik’, zei ik. Ik heb hem omhelsd en de huissleutels op tafel gelegd.”

Wat dramatisch.

„Ja, het was heel verdrietig. Maar tegelijk een bevrijding, omdat ik eindelijk mijn eigen keuzes kon maken. Iets wat ik nooit gedaan had, waardoor ik in het begin weinig vertrouwen had in mezelf. Omdat ik van schrijven en van fotograferen hou, ben ik journalistiek gaan studeren. De helft haalt het eerste jaar niet, zeiden ze aan het begin van de opleiding. Ik wist zeker dat ik bij de afvallers zou horen. Toen ik na een jaar toch mijn propedeuse haalde, dacht ik: ‘Wow, ik heb gedaan wat ik zelf wilde en het komt gewoon goed!’”

Geloof je nog?

„Toen ik wegging, hield ik nog steeds van Jehovah, ik vond het heel erg om hem pijn te doen. Maar ik ben mijn geloof in God heel snel kwijtgeraakt. Ik geloof nu in de kracht en de energie die mensen aan elkaar kunnen doorgeven, in ‘wie goed doet, goed ontmoet’. Mij was altijd voorgehouden dat gastvrijheid, vriendschap en liefde alleen mogelijk waren binnen de eigen geloofskring.

„Toen David en ik elkaar net kenden, gingen we op vakantie naar Marrakech. Een taxichauffeur nodigde ons bij hem thuis uit, zomaar, zonder bijbedoelingen, behalve dat hij ons zijn pasgeboren baby wilde laten zien. Die hartelijkheid van mensen uit een heel andere cultuur, die trof me diep.

„Terug uit Marrakech wilde ik graag iets doen, een ode brengen aan de gastvrijheid. Het liefst had ik wildvreemden op straat uitgenodigd voor een kopje koffie, maar dat vinden Nederlanders raar. Op een verjaardag hoorde ik toen over couchsurfers, een wereldwijd netwerk van mensen die een gratis slaapplaats bieden aan reizigers, met als achterliggend idee dat je een cultuur pas echt leert kennen als je weet hoe de bevolking leeft. Zo hebben we bij ons thuis en over de hele wereld, tot in Peking, gelijkgestemden ontmoet. Mensen met een totaal andere cultuur, maar met datzelfde verlangen om de ander te leren kennen en te begrijpen en de bereidheid om vriendschap aan te gaan zonder voorwaarde vooraf.”