Goed rapport. Maar je kan er ook een pleidooi vóór de euro in lezen

Nieuwsanalyse Terug naar de gulden? Een gerenommeerd Brits bureau onderzocht voor de PVV wat dat Nederland kost. Veel economen onderschrijven de analyse van het bureau, maar de uitwerking heeft wel wat onevenwichtigheden.

Moeten we de euro uit? En als we dat zouden doen, hoe groot is dan de schade?

De eerste vraag werd gisteren door PVV-voorman Gert Wilders beantwoord met een welluidend ‘ja’. De tweede met een ‘valt wel mee’. Hij trok die conclusies naar aanleiding van een onderzoek dat de PVV liet verrichten door het Britse bureau Lombard Street Research.

Om een eerste misverstand uit de wereld te helpen: dit is geen obscuur bureau, maar een groep economen met een prima naam in de Londense City. Om nog één misverstand te adresseren: nee, het zijn geen uit de pas lopende eurosceptici. De manier waarop zij tegen de gemeenschappelijke munt aankijken wordt, en werd, gedeeld door veel andere economen, overigens allang voordat de euro werd ingevoerd.

Het lijkt er op dat Lombard Street tot de conclusie komt dat de euro ons 800 euro per hoofd van de bevolking heeft opgeleverd, maar tussen de 1.800 en 2.700 euro per jaar kost. Dat is niet helemaal zo. Het cijfer van 800 wordt in de volledige versie van het rapport helemaal niet genoemd. De schade van 1.800 euro per persoon gaat over de extra consumptie die Nederlanders nu hadden kunnen genieten als de groei van de consumptie gelijke tred had gehouden met de groei van de totale economie. Die loopt op tot 2.700 euro als de economische groei even groot zou zijn geweest als die van twee niet-eurolanden, Zweden en Zwitserland.

Lombard Street gebruikt de concrete getallen niet als waarheden, maar als voorbeeld. Om toch een bedrag te kunnen noemen bij het veronderstelde nadeel. Want in wezen is het nadeel niet te kwantificeren. Dat wordt, in weerwil van alle publiciteit vooraf, ook eerlijk door de PVV gezegd.

Het langverwachte rapport behandelt vier zaken: de tekortkomingen in de vorming van de monetaire unie, gevolgd door een diagnose van het probleem waar we nu mee zitten. Het schetst daarna de toekomst, en schat hoeveel het verlaten van de muntunie door Nederland zou kunnen gaan kosten.

De onderzoekers maken duidelijk dat de muntunie eigenlijk te haastig is begonnen en een belangrijk aspect mist: een herverdelingsmechanisme zoals de meest bekende muntunie, de Verenigde Staten, dat wél heeft. Omdat sommige landen (vooral noordelijke) beter toegerust waren om met een gemeenschappelijk munt te beginnen dan andere (vooral zuidelijk) was de muntunie van voor af aan een gedrocht. Een gemeenschappelijk renteniveau voor zo veel verschillende landen, die uiteindelijk op zichzelf waren aangewezen, was een recept voor een ramp. One size fits none, zo karakteriseert Lombard het gemeenschappelijke monetaire beleid.

Voor veel noordelijke landen met een lage inflatie bleek de rente eigenlijk te hoog, waardoor ze onderconsumeerden, voor veel zuidelijke en perifere landen (Ierland), landen met een hogere inflatie, was de rente eigenlijk te laag waardoor ze oververhitten. Dat valt te zien aan de huizenmarkten in bijvoorbeeld Spanje en Ierland. De lage rente maakte veel van hen ook gemakzuchtig: ze profiteerden wel, maar pasten zich niet aan. De arbeidskosten gingen veel te snel omhoog, waardoor ze concurrentieverlies leden en de verschillen met het noorden alleen maar groter werden.

Die diagnose is, nogmaals, niet nieuw. De euro slaagt alleen als er structureel kapitaaloverdracht plaatsvindt. Dat wil zeggen dat landen financieel helpen in goede, maar ook in slechte tijden. En daar is een politieke unie voor nodig en een gemeenschappelijke lotsverbondenheid. Een groot deel van het rapport kan even goed worden gelezen als een pleidooi hiervoor.

De sombere scenario’s die Lombard schetst voor het eindspel van de euro hebben hun waarde en wie weet komen ze nog uit ook. Maar hoeveel het voortijdig op eigen houtje verlaten van de muntunie Nederland gaat kosten kan niet anders dan worden geschat. In de samenvatting van het rapport, niet in het rapport zelf, staat dat het 51 miljard kost als Nederland uit de euro stapt. Er staat ook dat we dit binnen twee jaar weer meer dan goedmaken. Maar die getallen zijn niet erg geloofwaardig. Een overgang naar de gulden zou ongekend chaotisch zijn, en de kosten daarvan zijn niet in te schatten. Maar goed, dergelijke scenario’s zijn toekomstvisies, en daar kan niet al te veel van worden verwacht.

Terug naar de diagnose van wat er fout is gegaan. Hier is iets pijnlijks aan de hand. Want de cijfermatige ondersteuning in het rapport laat telkens één land zien dat formeel wel bij het noorden hoort, maar zich in wezen vrij zuidelijk gedroeg.

Dat land heet Nederland. De inflatie lag hier boven het eurozone-gemiddelde, net als in het zuiden. De concurrentiekracht, uitgedrukt in de loonkosten per eenheid product, erodeerde bovengemiddeld. Net als in het zuiden. En we hadden een zeepbel op de woningmarkt. Net als Spanje en Ierland.

Lombard Street heeft zichtbaar moeite gehad de Nederlandse realiteit in te passen in het theoretische model van noord en zuid, van centrum en periferie. Wat rest is Nederland als een land met een fors overschot op de handels- en betalingsbalans. En daarmee horen we weer wél bij het noorden.

Nederland past dus niet goed in de modelgeschiedenis van de muntunie. Maar een probleem met de euro is er wel. Lombard plaatst zichzelf duidelijk in het kamp van de economen die de eurocrisis niet zien als een begrotingscrisis, zoals Duitsland dat graag ziet. Het bureau schetst de eurocrisis juist als een betalingsbalanscrisis. Noordelijke landen hebben, mede doordat zij meer exporteren dan importeren, een overschot op de betalingsbalans. De zuidelijke een tekort. Dat betekent dat het zuiden een steeds grotere schuld oploopt, die door het noorden wordt gefinancierd. De noordelijke kruidenier leverde zijn zuidelijke klanten op de pof. En nu hebben ze elkaar in een ijzeren greep.

De oplossing is het terugbrengen van deze onevenwichtigheden. Lombard Street doet daarbij twee veronderstellingen. De eerste is dat noordelijke landen te veel energie hebben gericht op de export, ten koste van de binnenlandse consumptie. Zij deden zo hun best om binnen de euro aan concurrentiekracht te winnen, mede door loonmatiging, dat hun burgers gedwongen onderconsumeerden. Hier komt dat bedrag van 1.800 tot 2.700 euro aan gemiste consumptie vandaan. De calculatie en de causaliteit zijn aan het Londense bureau, maar wie zegt dat dit alles zich buiten de muntunie óók niet had voorgedaan?

Bovendien missen in het rapport twee allesbepalende factoren voor de Nederlandse economie sinds de invoering van de euro. Al genoemd is de opkomst en ondergang van de woningmarkt. De tweede is de pensioencrisis, die in wezen al duurt sinds de zeepbel op de aandelenmarkt tien jaar geleden knapte en de kredietcrisis toesloeg. Dat heeft onmiskenbaar een drukkend effect gehad op de consumptie, maar heeft weinig met de euro te maken.

De tweede vooronderstelling van Lombard Street snijdt meer hout: als er een overschot op de betalingsbalans is, wordt er kennelijk binnenlands door bedrijven en huishoudens te veel gespaard en te weinig geïnvesteerd, waardoor het overtollige geld naar het buitenland gaat. Als de overheid dan óók nog streeft naar begrotingsevenwicht dan wordt het overschot op de betalingsbalans alleen maar groter. De Duitse bezuinigingsdrift, en het feit dat dat land de andere eurolanden een soortgelijk beleid oplegt, kan de eurozone in potentie opblazen.

Daar kan Lombard Street best wel eens gelijk in hebben. En hier ligt dan ook de missie voor Wilders. Als hij volgens de theorie van zijn eigen rapport actief wil bijdragen aan de teloorgang van de euro, dan moet hij als de wiedeweerga streven naar een Nederlands begrotingsevenwicht en keiharde ombuigingen steunen. Verzet hij zich tegen bezuinigingen, dan verlengt hij daarmee juist de levensduur van de muntunie, en de euro.

Ironisch? Een understatement, dear fellow, een understatement.

Prijs van een pak melk? + 28%

(Bron: CBS)

Prijs van een heel brood? - 4%

(Bron: CBS)