Alles Zelf Doen

Het bruiste in de kunst tussen 1977 en 1984, de jaren van de punk. Do-it-yourself was het motto. Het Centraal Museum laat zien wat dat heeft opgeleverd.

Sandra SmallenburgRedacteur Beeldende Kunst

Hoeveel mensen er precies aanwezig waren bij het eerste Nederlandse concert van de Sex Pistols, op 5 januari 1977 in Paradiso, daarover lopen de meningen uiteen. Volgens sommigen waren het er nog geen honderd, anderen spreken van vierhonderd bezoekers. Maar dat het Londense viertal op ieder van hen een onuitwisbare indruk maakte, dat staat buiten kijf. Muzikaal klonk het voor geen meter – geen van de bandleden leek ooit maar één noot muziekles te hebben gehad. Maar hun rauwe energie was overdonderend en vooral frontman Johnny Rotten maakte met zijn klagelijke stem en spastische gebaren een onuitwisbare indruk op het Amsterdamse publiek.

1977 geldt sindsdien als het startsein van de punkbeweging in Nederland. Ook God Save The Queen, de tentoonstelling die nu te zien is in het Centraal Museum in Utrecht en die genoemd is naar een van de bekendste nummers van de Sex Pistols, begint in dat jaar. In de maanden na het concert in Paradiso werden overal in Nederland punkbandjes uit de grond gestampt. Er werden lege panden gekraakt waar poppodia en kunstenaarsinitiatieven gesticht werden. Nieuwe tijdschriften zagen het licht, radio- en tv-zenders braken illegaal in op de ether, fanzines werden gestencild en singles geperst – uiteraard allemaal in eigen beheer, want do-it-yourself was het motto in die jaren. En hoe somber het tijdsbeeld ook was en hoe vaak de Sex Pistols tijdens hun optredens ook de slogan No Future scandeerden, in de kunsten bloeide en bruiste het, tussen 1977 en 1984.

Het „krakend scharnierpunt” waaromheen de expositie God Save The Queen draait, is 30 april 1980, de kroningsdag waarop alle opgekropte woede van Generatie X tot uitdrukking kwam – ‘Geen woning, geen kroning!’ Marja Bosma, conservator van het Centraal Museum en samensteller van de tentoonstelling, herinnert zich nog goed hoe ze die dag met een transistorradio tegen haar oor gedrukt door de straten van Utrecht liep, waar ze kunstgeschiedenis studeerde. De VARA deed live verslag van de rellen in Amsterdam, waar een ware veldslag tussen krakers en ME’ers aan de gang was. Auto’s belandden in de grachten, er werden molotovcocktails gegooid. Een agent viel van zijn paard en werd er door omstanders onder luid gejoel („Ivanhoe!”) weer opgeholpen. „Het was bepaald geen fijnzinnige tijd”, aldus Bosma. „Maar humor was er wel.”

Zelf speelde Bosma destijds dwarsfluit in het ‘no wave’-bandje Intensive Care en was ze betrokken bij het kraken van het oude houten Tivoli-muziekgebouw aan het Utrechtse Lepelenburg. „Dat is wat dit tijdperk zo bijzonder maakte”, vindt Bosma. „Alles kwam samen: muziek, kraken, kunst. Die mentaliteit, van zelf doen en aanpakken en je niet storen aan hoe het hoort, wil ik met deze tentoonstelling overbrengen.”

Natuurlijk klinkt er punkmuziek in het Centraal Museum en draaien er documentairebeelden van de dag dat Beatrix gekroond werd. Maar het draait op God Save The Queen vooral om de kunst die deze periode heeft voortgebracht. In de eerste zaal draait Gordon Matta-Clarks video Splitting uit 1974, waarin te zien is hoe de Amerikaanse kunstenaar een woonhuis doormidden zaagt en een van de helften een paar graden kantelt. Net als de kraakbeweging vroeg Matta-Clark met zijn ‘anarchitecture’ aandacht voor de enorme leegstand en de verpaupering van buurten als The Bronx. „Het is een dwars en ontregelend kunstwerk”, vindt Bosma. „Tegelijkertijd creëerde hij met die doorsnedes ook letterlijk uitzicht: hij liet zien hoe je het heft in eigen handen kon nemen.”

In veel opzichten vormde het jaar 1977 een radicale breuk met het verleden. De razendsnelle drie-minuten-nummertjes van punkbands als The Ramones („one-two-three-four!”) rekenden af met de langdradige symfonische rock uit de jaren zeventig. In het straatbeeld maakte het lange hippiehaar plaats voor korte stekels en hanekammen. En in de kunstwereld was men klaar met de hegemonie van conceptuele kunst en Minimal Art. Nederlandse kunstenaars keken vooral naar wat er in Duitsland gebeurde, waar de schilders van de Neue Wilde lak hadden aan de modernistische schilderconventies en figuratieve voorstellingen maakten die lekker ruig en vet geschilderd waren. ‘Mahler ohne Idee’, kalkte Walter Dahn in 1981 in vieze, modderige tinten op een van zijn doeken. Weg met al die ideeënkunst. Vanaf nu gaan we gewoon weer spontaan schilderen wat er in ons opkomt.

Begin jaren tachtig kwam uit Amerika bovendien de graffitikunst overwaaien. De 21-jarige Jean-Michel Basquiat toonde zijn werk in 1982 op de Documenta in Kassel en werd datzelfde jaar nog aangekocht door conservator Martin Visser van Museum Boijmans Van Beuningen. Het Centrum voor Hedendaagse Kunst in Utrecht kocht in 1984 een zeildoek van Keith Haring, dat hij een jaar eerder had vol gespoten met zijn karakteristieke poppetjes. En Amsterdam had zelfs zijn eigen graffitigalerie, Yaki Kornblit, waar onder meer de New Yorkse rapper Rammellzee in 1983 exposeerde.

In navolging van de Amerikanen gingen ook Nederlandse schilders als René Daniëls met spuitbussen in de weer. Daniëls richtte samen met Hewald Jongenelis, Rob Scholte en Roland Sips het collectief ‘Spray Armee’ op, als reactie op de Amerikaanse graffitispuiters. Onder het mom ‘wat die jongens doen, kunnen wij beter’, werkte het viertal in juni 1983 drie dagen lang in ’t Meyhuis in Helmond aan een gezamenlijk graffitikunstwerk dat zich uitstrekte over in totaal 26 rollen papier. ‘Hollandse gravity’, noemden ze het eindresultaat. De rollen bleken nog te bestaan en lagen opgeslagen in het depot van het Van Abbemuseum, zo ontdekte Bosma. Voor de tentoonstelling in Utrecht worden ze voor het eerst in bijna dertig jaar weer uitgerold.

Een ander werk uit die vroege jaren tachtig waar Bosma op stuitte, is Rom 87, het debuut van Sandra Derks en Rob Scholte. De piepjonge Derks en Scholte hadden destijds een relatie en deelden een atelier. Geld voor dure materialen was er niet en dus gebruikten ze een simpel kleurboek van de Hema en goedkope ecolaverf voor hun stripachtige reeks tekeningen. De lieflijke illustraties, aan elkaar geplakt in rasters van in totaal 44 vierkante meter, kregen gaandeweg een steeds luguberder karakter, met veel doodshoofden en vogelverschrikkers. Nu het na bijna dertig jaar weer uit de krochten van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is opgediept, oogt Rom 87 nog opvallend sprankelend en spontaan.

Die vitale, energieke periode in de kunst duurde volgens Bosma tot 1984. „Daarna dienden stromingen als Neo Geo en Appropriation Art zich aan. Maar ook coke en heroïne eisten hun tol. Na 1984 was de onbevangenheid weg, het wereldje werd steeds cynischer. Kunstenaars die het in Nederland gemaakt hadden, gingen naar New York om zich daar in het snelle leven te storten. Er ontstond concurrentie: wie heeft de grootste? Wat dat betreft was het een echte mannentijd.”

De nalatenschap van de punkgeneratie is groot. Volgens Bosma is zelfs koningin Beatrix een beetje punk, met haar duidelijke stellingname tegen de ideeën van Geert Wilders. De titel God Save The Queen, destijds door The Sex Pistols nog met zoveel cynisme gezongen, mag je wat Bosma betreft dus best serieus nemen. „Beatrix doet het nu goed. Ik loop al jaren rond met het idee voor deze tentoonstelling. Maar ik wilde hem per se maken voordat Beatrix aftreedt en we weer een nieuwe kroning krijgen.”

God Save The Queen. Kunst, kraak, punk: 1977-1984. T/m 10 juni in het Centraal Museum, Utrecht.