Vuile politiek, zuivere idealen

De Republikeinse voorverkiezingen zijn tot nu toe een speeltuin voor ideologische scherpslijpers.De aanhang wil een zuiver-op-de-graat-partij, ook al sluit dat de Grand Old Party uit van de macht.

Michele Bachmann en haar man tijdens een dienst in Jubilee Family Church in Oskaloosa, Iowa. Foto AP

Heeft Rick Santorum zojuist voor honderden Republikeinen een pleidooi gehouden voor een verkiezingsnederlaag in november? Er volgt applaus, een staande ovatie zelfs. „In het verleden hebben we onze principes verloochend”, zegt Santorum op het podium van het Marriott Hotel in Washington, op het conservatieve congres CPAC in februari. „Zo konden we resultaat boeken, winnen.”

Hij laat een retorische stilte vallen, en zegt: „We zullen niet langer de fundamenten van dit geweldige land in de steek laten om een lege overwinning in november te boeken.”

Kies mij, en ik garandeer u een grandioze nederlaag als ik het dit najaar tegen Barack Obama opneem. Geen politicus zou wegkomen met zijn ónverkiesbaarheid, zou je denken. Maar Rick Santorum kent de diepste gevoelens van de Republikeinse Partij. De conservatieve kern van de partij die aanwezig is op CPAC – leiders van de Tea Party, talkradio-presentatoren, anti-abortus-activisten – beloont hem met een langdurig applaus.

Peilingen laten zien dat Santorum landelijk ongeveer gelijk staat met Romney, en volgens enkele peilingen zelfs aan de leiding gaat. Morgen, als op Super Tuesday in tien staten voorverkiezingen worden gehouden, kan Santorum in zeker de helft van de staten winnen.

Rick Santorum is de zoveelste niet-Romney die een (meestal tijdelijke) opleving doormaakt in de Republikeinse kiezersgunst. Michele Bachmann, Rick Perry, Herman Cain en Newt Gingrich gingen hem voor. Ze kwamen op, werden getest, en weer afgedankt.

Hoe verschillend ze ook zijn, één ding hadden ze gemeen: de belofte van ideologische zuiverheid. Was het bij Newt Gingrich de rauwe, zuidelijke woede, bij Bachmann en Cain het geloof, bij Ron Paul een principieel libertarisme, de kandidaten koketteren met een stijl die het tegendeel vormt van de technocratische, bestuurlijk ingestelde Romney.

Steeds als die gepredikte zuiverheid getoetst werd, vielen de kandidaten alsnog door de mand. Dat is het geluk van Romney. Maar het doet niets af aan het grote probleem van de Grand Old Party: de achterban hunkert naar een kandidaat die authentiek is, compromisloos en die strikt ideologisch denkt.

Maar deze drang naar zuiverheid kan tegelijk leiden tot de keuze voor een kandidaat die de partij marginaliseert. Slechts een kleine groep Republikeinen stemt in de voorverkiezingen. Zij maken slechts een fractie uit van het totale electoraat. Alle Amerikaanse kiezers samen, Republikeinen, Democraten en onafhankelijken, kiezen in november de president. Die brede groep is veel minder geïnteresseerd in ideologische scherpslijperij.

De partijtop weet dat alleen een presidentskandidaat die acceptabel is voor kiezers in het politieke midden een kans maakt om Obama te verslaan. De elite klampt zich vast aan Romney, de enige kandidaat die de dreigende marginalisering van de Republikeinen kan tegengaan.

Maar kiezers trekken in de voorverkiezingen, dat moet hij op eigen kracht doen. Mitt Romney worstelt zich door een ongelukkige campagne. Deel van het probleem is dat hij, om te winnen, zich anders voordoet dan hij is. Hij werkte als gouverneur in Massachusetts vier jaar samen met een Democratische meerderheid, sloot compromissen, bereikte resultaten. Over dat verleden praat hij niet. Hij is de kandidaat van buiten, de ‘conservatieve zakenman’ , zoals hij op zijn bus heeft gezet.

De Republikeinse kiezer wordt er nauwelijks warm van en bekijkt de laatste niet-Romney: Rick Santorum. Het drijft de partijelite tot wanhoop. „Mijn God, wat een fucking puinhoop”, roept Ed Rollins, oud-stafmedewerker van Ronald Reagan deze week uit in New York Magazine. Rollins zegt dat de Republikeinen bezig zijn hun alom voorspelde overwinning op Obama te verprutsen. Terwijl de context zo gunstig is: een hoge werkloosheid, lage populariteitscijfers voor Obama, en een wankele economie. Maar de Republikeinen verliezen zichzelf in een intern gevecht over de vraag wie het conservatiefst is.

In zijn pas verschenen boek Rule and Ruin schrijft de aan Yale verbonden politicoloog Geoffrey Kabaservice dat de partij in diepe problemen is geraakt. De Republikeinen hebben het grootste deel van hun bestaan in het centrum van de macht gestaan, en overtroffen de Democraten in pragmatisme. President Abraham Lincoln (1861-1865), die de basis legde voor de afschaffing van de slavernij, was een Republikein. Teddy Roosevelt (1901-1909), tegenwoordig omarmd door de Democraten om zijn sociaal beleid: een Republikein. Dwight Eisenhower (1953-1961) steunde de zwarte burgerrechtenbeweging. Maar gematigde, pragmatische Republikeinen zijn, schrijft Kabaservice, „uit het publieke geheugen verdwenen, vooral omdat ze verdwenen zijn van het politieke toneel”.

Volgens Geoffrey Kabaservice is de Grand Old Party nog altijd niet de voorverkiezingen van 1964 te boven. In dat jaar moesten de Republikeinen een presidentskandidaat kiezen, terwijl ze in een machtsvacuüm zaten. Richard Nixon, de veronderstelde kandidaat en oud-vicepresident, weigerde mee te doen. Ook George Romney, de vader van Mitt en de favoriet van de liberale vleugel van de partij, besloot gouverneur in Michigan te blijven. Twee kandidaten bleven over: de New Yorkse zakenman Nelson Rockefeller, en de conservatief Barry Goldwater uit Arizona.

Goldwater verzette zich tegen alles wat het Republikeinse pragmatisme had bereikt: samenwerking met de Democraten, de Civil Rights Act, die dat jaar was ingevoerd om een eind te maken aan discriminatie van Afro-Amerikanen. Tot ieders verbazing won de populistische zuiderling de voorverkiezingen van de gematigde Rockefeller, die een professionelere campagne voerde.

Voor een groot deel was dat een uiting van een beweging die veel breder is. De politieke en culturele macht in Amerika is sinds de vroege jaren zestig verschoven van de liberale oostelijke kuststaten naar het conservatieve middenwesten en zuiden. Aan het einde van de vorige eeuw toonde New York Times-journalist Peter Applebome in zijn boek Dixie Rising aan hoe de zuidelijke cultuur steeds dominanter werd. Amerikanen luisteren meer naar country-muziek, gaan op zondag naar een evangelische kerk, en weren de federale overheid zoveel mogelijk uit hun leven.

Neem de familie Spooner: man, vrouw, twee kinderen. De vader liep op zijn afgelegen woestijnranch rond met cowboyhoed en geweer, en balde zijn vuist toen een ambulancehelikopter overvloog. Nooit, bezwoer hij, zou hij zich laten behandelen door de „federale dokters”. Wie weet wat ze in je spuiten. Alles aan deze familie oogde zuidelijk, Texaans: hun geloof, hun anti-overheidsdenken. Alleen: ze woonden in Idaho, in het noorden, dichtbij Canada.

Barry Goldwater maakte de conservatieve basis van het electoraat tijdens de voorverkiezingen wakker. Het begon in het zuiden. Daar was de woede over de Civil Rights Act, tot stand gekomen dankzij de Republikeinen zelf, het grootst. Maar de sentimenten, aangewakkerd door de polarisatie na de moord op Kennedy, werden ook gemeengoed in het middenwesten en de uitgestrekte, agrarische ‘rode staten’ in het midden van het land. Toch verloor Goldwater de landelijke verkiezingen uiteindelijk kansloos van Lyndon B. Johnson.

Voor het eerst was de spanning zichtbaar die de Republikeinen tot vandaag verlamt: de conservatieve basis wil verleid worden in de voorverkiezingen, en vindt een gewetensvolle kandidaat belangrijker dan een verkiesbare kandidaat. De conservatieve basis wordt steeds invloedrijker, zeker sinds evangelische kiezers sinds de jaren zestig massaal lid werden. De Republikeinse kiezer is de laatste jaren „blanker, minder hoog opgeleid, meer arbeidersklasse en populistischer” geworden, somde commentator John Heilemann op in New York Magazine.

De overvleugelde oude kern wordt gevormd door een kiezersgroep die op financieel-economische thema’s conservatief is, lage belastingen dus, maar op sociale thema’s weinig van de Democraten verschilt. Deze groep slaagt er niet in enthousiasme te wekken. Republikeinse voorverkiezingen worden daardoor vaak een strijd tussen de kandidaat van het midden, en een kandidaat die ideologische zuiverheid predikt. De eerste kandidaat kan de voorverkiezingen niet goed winnen, de tweede de presidentsverkiezingen niet.

De strijd tussen Mitt Romney en zijn drie overgebleven tegenstanders Santorum, Newt Gingrich en Ron Paul verloopt langs deze lijnen. Ieder op hun eigen manier zijn Romney’s rivalen vertegenwoordigers van de protesterende basis. Gingrich is het symbool van anti-elitarisme, ook in de eigen partij, al was hij jarenlang voorzitter van het Huis van Afgevaardigden. Ron Paul staat voor anti-federalisme, Santorum voor religieus conservatisme.

De kandidaat die steun krijgt van de partijtop, trekt meestal aan het langste eind. Een gebrek aan grassroots-steun wordt ruimschoots gecompenseerd door meer campagnegeld, en machtige geldschieters. Dat was zo in 1976, toen Gerald Ford Ronald Reagan versloeg, in 1988 (George H.W. Bush), in 1996 (Bob Dole) en 2008 (John McCain). McCain verafschuwde religieus-rechts, maar koos de bij die groep populaire Sarah Palin als kandidaat voor het vicepresidentschap.

Deze verkiezingen zijn anders, omdat de ontevreden basis veel beter georganiseerd is. De Tea Party heeft vanaf 2009 de beweging politiek verenigd. De organisatie is los, en ideeën verschillen per afdeling enorm. Maar centraal staat het diepe wantrouwen tegen de elite, ook in de eigen partij. In 2010 wonnen door de Tea Party gesteunde Republikeinen tientallen Congreszetels.

Super Tuesday kan van beslissend belang zijn voor de strijd om de macht in de partij. Het gaat niet om Rick Santorum of Mitt Romney, maar om ideologische zuiverheid of pragmatisme. De Republikeinse partij moet kiezen wat ze wil zijn, en de neiging om een zuiver-op-de-graat-partij te worden, is sterk. Ook als dat de Republikeinen de komende jaren zal marginaliseren.