Voor Thijmen had de juf geen tijd

Anoek Voermans en Tony Velding uit Rotterdam vrezen de gevolgen van de bezuinigingen op het speciaal onderwijs. Hun zesjarige zoon Thijmen heeft het downsyndroom.

Anouk Voermans, moeder van Thijmen: „Thijmen is een schat. Hij kan je letterlijk doodknuffelen, want zoals zoveel kinderen met het downsyndroom kent hij zijn eigen kracht niet. Hij is inmiddels sterker dan ik. Daarnaast heeft hij een aantal fysieke handicaps: een kleine hartruis, veel neus- en oorontstekingen, slecht zicht en sterk verminderde spierspanning in zijn benen en zijn mond. Kauwen is lastig. Thijmen vertoont vaak onaangepast en onvoorspelbaar gedrag. Als hij zijn jas uit moet doen, houdt hij zijn jas aan en maakt hij een dansje. Als hij moet zitten, gaat hij over de grond rollen. Het hoort erbij.”

Tony Velding, zijn vader: „Thijmen heeft vier jaar op de kinderdagopvang gezeten. Dat ging prima. Spelenderwijs leerde hij bijvoorbeeld zijn spullen op te ruimen en te eten, iets wat hij tot die tijd heel matig deed, mede door zijn handicaps. Voorbeeldgedrag is voor kinderen met down heel belangrijk. Onderzoek wijst dat ook uit. We wilden graag dat hij naar een gewone school zou gaan, net als alle andere kinderen uit de buurt. Een school hier om de hoek bleek bereid om hem op te nemen, ondanks zijn fysieke en verstandelijke beperkingen.”

Zij: „We wilden hem niet op voorhand in een uitzonderingspositie duwen. Hoe meer aansluiting hij zou vinden bij ‘gewone’ kinderen, hoe beter dat voor hem zou zijn, was onze gedachte. Omdat het de school aan specifieke kennis ontbrak, hebben we ellenlange gesprekken gevoerd. En niet één, nee, wel tíg keer. Om de zoveel weken zaten we weer aan tafel. Praten, uitleggen, bijsturen. Want ja, hij heeft een flinke gebruiksaanwijzing.”

Hij: „Thijmen heeft het uiteindelijk anderhalf jaar volgehouden in het reguliere onderwijs. Op een gegeven moment was voor ons de maat vol. Het was trekken aan een dood paard. Met de rugzakgelden heeft de school niets gedaan. Waar dat geld wel aan is besteed, weet ik niet en ik hoef het ook niet meer te weten.”

Zij: „Hij zat in een groep met 26 kinderen en één juf. En in het reguliere onderwijs hebben ze altijd haast. In alle rust om- en aankleden voor de gymles? Geen tijd voor. Aangepast lesmateriaal? Geen tijd voor. Hij zat vaak onder het snot en de viezigheid. Niemand die wat deed. Ze hebben zich gewoon enorm verkeken op Thijmen. Hij mocht ook steeds vaker niet meedoen, merkten we. Dan zat hij urenlang te spelen met het poppenhuis, want dan was hij tenminste stil. Soms kregen we zelfs het dringende verzoek hem een dag thuis te houden.”

Hij: „Wij hebben beiden een goede baan en een goed salaris, maar zelfs wij zijn bijna failliet gegaan. De school redde het niet en Thijmen redde het niet, en dus besloten wij zelf een begeleider in te huren, die Thijmen elke dag bijstond op school. Dat kost een paar centen.”

Zij: „Sinds ruim een jaar nu zit Thijmen in het speciaal onderwijs, ook hier in de buurt. Hij zit tussen gelijkgestemden. Het personeel heeft kennis van zaken en een engelengeduld waar ik u tegen zeg. Hij voelt zich goed op zijn gemak, met lesmateriaal dat toegesneden is op zijn niveau. Ik merk het aan hem: hij gaat vooruit. Hij is inmiddels zindelijk, hij is bezig met cijfers en letters, het gaat hartstikke goed met hem.”

Hij: „Wat ik niet begrijp is dat deze overheid het kennelijk prima vindt dat een hele generatie kinderen à la Thijmen straks geen maatschappelijke betekenis meer heeft. Want dat dreigt te gebeuren. Als ze nu geen of onvoldoende speciale zorg krijgen, is de dagopvang voor hen over een paar jaar het enige alternatief. En dan ben je als maatschappij veel duurder uit. Terwijl Thijmen straks best vakken zou kunnen vullen in een supermarkt, en op zichzelf zou kunnen wonen. Maar die sociale redzaamheid moet wel ontwikkeld worden.”

Zij: „Door de bezuinigingen zullen de klassen straks groter worden en dat betekent dus minder aandacht, waardoor Thijmen sneller zal zijn afgeleid. Hij zit nu in een groep met tien kinderen, met twee begeleiders. Krijgt nu nog de zorg en de aandacht die hij nodig heeft. De directeur heeft alle ouders in een noodbrief al laten weten dat hij wel moet snijden in zijn personeelsbestand. Eén op de vijf begeleiders gaat vermoedelijk verdwijnen. Wij maken ons grote zorgen.”

Opinie pagina 14 en 15: ‘Op kwetsbare kinderen bezuinig je niet’ en ‘Een op de vijf kinderen met gebrek, dat kan niet’