Regie had wat brutaler gemogen

Foto Walter Herfst

Schrijver Ernest van der Kwast bewerkte zijn semi-autobiografische roman Mama Tandoori voor het toneel. Het stuk ging zaterdag in première.

„Aanvankelijk had ik alleen de rechten verkocht en was ik verder nauwelijks bij de productie betrokken. Dat vond ik prima; ik kon weer een mooi nieuw pak kopen, klaar. Maar ze kwamen er met de bewerking niet uit. Een week voor de repetities was maar dertig procent van de tekst af. En het was gewoon echt niet goed. Het leek even De Eetclub te worden, of Het Diner: letterlijk het boek vertaald naar toneel. Toen schoot ik in de stress: gaat het nu wel door? Wordt het nog wel wat? Vanuit die paniek ben ik zelf maar gaan schrijven. Mijn betrokkenheid is dus veel groter geworden dan ik had gewild. Dat is ergens vervelend: nu moet ik ook iets vinden van hoe het is uitgevoerd, en hoe het wordt gespeeld.

„Ik vond de regie wat te voorzichtig. Dat had brutaler gemogen. Zo werd het een beetje een gezellige familievoorstelling. En dat is niet waar ik aan denk, bij de familie Van der Kwast.

Gelukkig deed Jacqueline Blom, die de rol van Mama Tandoori, mijn moeder, speelt, het geweldig. Zij bracht Mama Tandoori echt tot leven. Het deed me denken aan het monster van Frankenstein. Ik had nogal te doen met haar man. Het was zo overtuigend: volgens mij is ze thuis ook echt zo.

„Acteur Tibor Lucacs speelt mij, maar ik had niet het gevoel dat ik naar mezelf zat te kijken; die ‘Ernest’ is toch wel echt een personage geworden. Na afloop zei wel iemand tegen mij: ‘Een Ernest zonder bril, dat is best een goed idee, misschien moet je dat ook eens proberen’.

„Ik zat op de première naast een vriendin, die de hele avond mijn hand vasthield. Heel bijzonder was het dat mijn verstandelijke gehandicapte broer Ashirwad ook in de zaal zat. Die reageerde op alles: hij hoorde natuurlijk mijn naam in het stuk, en zijn naam, en hij neuriede steeds mee. Mijn moeder was er ook, maar ik weet niet wat zij ervan vond. Ze neemt sinds de première de telefoon niet op.”

Herien Wensink