Nuchtere Belg immuun voor opgeklopte vragen

Op zondagmiddag kun je een vooraanstaand internationaal politicus als de Belg Herman Van Rompuy, voorzitter van de Europese Raad, een klein uur interviewen, in Buitenhof (AVRO/VARA/VPRO).

Toch was het niet de lengte of het opzienbarende van de opvattingen van Van Rompuy, die het gesprek zo bijzonder maakte. Er zijn in dat programma wel vaker fervente verdedigers van Europa aan het woord. Dat een land als Nederland niet kapot gaat, wanneer het begrotingstekort moet worden teruggebracht van 4,5 naar 3 procent, dat is in de Europese context echt geen nieuws waar je de persen voor moet stoppen.

Nee, het verkwikkende van dit gesprek was de nuchtere toon waarop Van Rompuy, vriendelijk en geestig, immuun bleef voor opwinding en provocaties.

Interviewer Pieter Jan Hagens is in dat opzicht zeker niet de ergste. Met kennis van zaken en beleefde doortastendheid pleegt hij door te bijten, zonder zichzelf nadrukkelijk op de voorgrond te stellen.

Maar naast een Belgische prominent valt ineens op hoe dramatisch en overtrokken de toon van een Nederlandse televisieondervraging kan zijn. Wij zijn gewend aan die stijlfiguren, bedoeld om tegenstellingen aan te scherpen en de gast uit zijn tent te lokken.

Zo concludeert Hagens na Van Rompuys geruststellende woorden over de schade die de Nederlandse regering door zijn solistische optreden in Brussel zou veroorzaken: „Dus er is niets aan de hand?”

Van Rompuy: „U verandert dat in een slogan. Ik zeg: de situatie van Nederland is niet uitzonderlijk, omdat in vrijwel alle lidstaten nu eigenbelang de kop opsteekt.”

We waren bijna vergeten dat je zo ook in alle rust en beschaving de angel uit rellerige vragen kunt trekken.

Hetzelfde speelde in lichtere mate tussen interviewer Paul Rosenmöller en zijn Belgische gast in Gesprek op 2 (IKON/NTR/VPRO). David Van Reybrouck, cultuurhistoricus en schrijver van de non-fictie bestseller Congo, noemt al een tijdje het populisme een zegen voor de democratie, omdat het een correctie vormt op de oververtegenwoordiging van hoogopgeleiden in de politiek.

Hij verklaart mede uit die kloof de diepte en lengte van de laatste Belgische politieke crisis en nam het initiatief tot de ‘G-1000’, een experiment in „deliberatieve democratie”, met door een onafhankelijk onderzoeksbureau uitgelote deelnemers.

Rosenmöller werpt tegen dat het volk dan wel voor de doodstraf zal kiezen, een aloude dooddoener tegen elke aanvulling op de representatieve democratie. Van Reybrouck antwoordde met een vaststelling die we in ons meningencircus soms bijna vergeten: „Het volk is een diffuse groep mensen.”