Kofi Annan wil geen partij worden in Syrische strijd

Voor de duizenden Syriërs die al zijn omgekomen komt Kofi Annan te laat. En misschien wel voor álle Syriërs. Maar de bemiddelingspoging van deze diplomatieke veteraan biedt de beste kans, hoe klein die ook is, om het geweld te stoppen.

De Verenigde Naties en de Arabische Liga hebben Annan benoemd tot speciale Syrië-gezant, met als eerste taak, zei hij woensdag, „al het mogelijke te doen om een eind te maken aan het geweld en het moorden”.

Annan (73) was nog een onopvallende bureaucraat bij de VN (hoofd budget en planning op het hoofdkantoor in New York), toen een crisis in het Midden-Oosten hem zijn eerste rol op het wereldtoneel bezorgde. Het was 1990. Irak was Koeweit binnengevallen en een coalitie onder leiding van Amerika dreigde de Iraakse bezetting ongedaan te maken. In totaal 900 VN-medewerkers waren in Koeweit en Irak gestrand.

Annan werd naar Bagdad gestuurd om te zorgen dat het VN-personeel veilig naar huis kon. Dat lukte. En hij wist ook te regelen dat duizenden Aziatische gastarbeiders die weg wilden naar Jordanië konden ontkomen. De ambtenaar onderscheidde zich als doortastend diplomaat.

Voor hij naar Bagdad afreisde had een medewerker hem gevraagd of hij niet bang was dat zijn missie zou falen. „Spreek nooit negatief tegen me voor ik ga onderhandelen”, antwoordde Annan volgens zijn biografie The Best Intentions. „Ik wil niet horen dat het misschien niet lukt.”

Sindsdien is Annan niet alleen opgeklommen tot secretaris-generaal van de VN (1997-2006) en bekroond met de Nobelprijs voor de Vrede. Zijn naam is ook verbonden aan enkele dramatische mislukkingen. Zo was hij hoofd vredesoperaties ten tijde van de genocide in Rwanda en de massamoord op de moslims in Srebrenica – bij beide drama’s grepen de VN-troepen niet in.

En nu moet hij als diplomatieke brandweerman het vuur van de Syrische burgeroorlog zien te blussen. Om een beeld te krijgen hoe Annan als bemiddelaar opereert, is het fascinerend een interview te lezen dat hij in 2008 gaf aan het Centre for Humanitarian Dialogue. Daarin vertelt hij in detail hoe hij begin dat jaar de bloedige crisis in Kenia wist te bezweren, die was uitgebroken na fraude bij de presidentsverkiezingen.

Ik wilde allereerst dat er maar één bemiddelingsproces was, zei Annan toen: het mijne. Het waren bijna letterlijk de woorden die hij woensdag sprak over Syrië. Het is een van Annans gouden regels, door schade en schande geleerd: voorkom dat partijen bemiddelaars tegen elkaar kunnen uitspelen.

De situatie in Kenia is niet te vergelijken met wat zich nu in Syrië afspeelt. Maar toch zei Annan in zijn terugblik nóg iets dat voor de situatie in Syrië van belang is. Als bemiddelaar kreeg hij destijds het advies er voor te zorgen dat president Kibaki niet zou wegkomen met zijn verkiezingsfraude. Annan negeerde dat advies. Hij wilde geen partij worden in de strijd. Zijn opdracht was: zorgen dat er een eind kwam aan het geweld.

Ook nu laat Annan zich niet in de strijd trekken. De westerse landen en de Arabische Liga mogen al maanden het vertrek van Assad eisen, de kersverse gezant gaat daar niet in mee. Hij zal proberen een dialoog op gang te brengen tussen regering en oppositie. Het geweld moet stoppen en er moet snel humanitaire hulp komen – dát zijn de prioriteiten, en niet regime change.

Rusland en China zullen tevreden zijn, als Annan kan laten zien dat inmenging van buiten niet automatisch betekent dat het bewind in kwestie omvergeworpen wordt. Maar zo’n uitkomst zal moeilijk te verkroppen zijn voor iedereen die Assad het afgelopen jaar is gaan beschouwen als oorlogsmisdadiger.

Toch kan een compromis de minst slechte uitkomst zijn voor dit moment, omdat de oppositie op eigen houtje niet kan winnen en een militaire interventie er niet inzit.

De kans dat Annan slaagt is niet groot nu het geweld zo hoog is opgelaaid. Maar de wereld moet zich maar even houden aan zijn eerste gouden regel: spreek nooit negatief tegen me voor ik ga onderhandelen.