Dit is mijn landschap

Albino’s en arme blanken, de vuilnishel in Ghana, Nigeriaanse zombies. Rauw en adembenemend zijn de beelden van fotograaf Pieter Hugo. In Den Haag is een overzicht van zijn werk te zien. „Van Zuid-Afrika houd ik zielsveel en word ik stapelgek.”

De grond is zwartgeblakerd zo ver het oog reikt. Een vulkaanlandschap met hier en daar wat smeulende vuurtjes, zo lijkt het. De oplichtende kiezels blijken brokken wit plastic. Stukken toetsenbord steken deels boven de aarde uit. Glooiingen zijn bergen van floppies en harddrives. Daartussen liggen koeien vredig te herkauwen, alsof ze zich in een zonnige weide bevinden in plaats van op een van de meest vervuilde plekken ter wereld.

Welkom in Agbogbloshie, een vuilnisbelt buiten Accra die een veel te vriendelijke naam draagt voor een apocalyptisch oord als dit. Hier verbranden jonge Ghanese mannen, vrouwen en kinderen de technologische afvalberg uit het Westen. Zij houden zichzelf in leven door uit onze oude computers en telefoons edele metalen te winnen. De prijs die ze daarvoor betalen is hoog, want Agbogbloshie is ongelofelijk ziekmakend. Greenpeace nam er in 2008 bodemmonsters; er werden hoge concentraties lood, kalium, thallium, pvc en waterstofcyanide gevonden.

Voor zijn serie Permanent Error reisde de Zuid-Afrikaanse fotograaf Pieter Hugo (Johannesburg, 1976) in 2010 meerdere malen af naar Agbogbloshie. Hij schoot er monumentale portretten van de vuilnisverbranders die, leunend op hun stokken, over de rokende vlakte staren – als op een romantisch schilderij van Caspar David Friedrich. „Iedere keer als ik terugkwam waren de mensen die ik bij mijn voorgaande bezoek gefotografeerd had, verdwenen”, vertelt Hugo. „Dood of vertrokken. Niemand wordt oud in Agbogbloshie.”

Op de foto’s, nu in het Haagse Fotomuseum te zien op een overzichtsexpositie van Hugo, blikken de jonge mannen stoer de camera in. Ze hebben namen als David Akore en Abdulai Yahaya en dragen slippers of pantoffels. Ze torsen bossen koperdraad op hun hoofd of poken met zwetende wangen met hun stok in de vuurtjes. „Het is een vreselijke omgeving, die niet zou mogen bestaan”, zegt Hugo, die zelf ook gezondheidsproblemen aan zijn verblijf overhield. „Maar op hun manier zijn deze mensen heel zelfstandig en trots. Ze staan daar en zeggen: wij gaan gewoon door met onze shit. Mijn foto’s zijn niet bedoeld als een vorm van Afro-pessimisme. Ze zeggen eerder iets over de westerse consumptiemaatschappij. ”

Al vijftien jaar reist Pieter Hugo over het Afrikaanse continent en maakt hij foto’s die je niet snel meer vergeet. Foto’s van massagraven in Rwanda en aidsslachtoffers in Zuid-Afrika, maar ook indringende portretten van albino’s en blinden, taxiwassers en honingverzamelaars. Zijn serie The Hyena & Other Men (2005-2007), over woest uitgedoste Nigeriaanse straatartiesten die met getemde hyena’s door Nigeria trekken, is zo onwerkelijk dat hij op een andere planeet gemaakt lijkt. Hij won er in 2006 een eerste prijs bij World Press Photo mee.

Hugo: „Veel mensen vinden mijn werk exotisch, maar zelf zie ik dat niet zo. Voor mij zijn het gewoon beelden van het landschap dat ik ken. Al moet ik wel toegeven dat ik sterk door het macabere wordt aangetrokken. Ik denk dat kunstenaars in het algemeen vaak oog hebben voor verrotte zaken. We worden er als vliegen door aangetrokken. Toen ik opgroeide, luisterde ik graag naar punkbands – muziek die uitdagend was in plaats van geruststellend. Ik houd van kunst die confronterend is en je aan het denken zet. Dus is het logisch dat ik zelf ook zoek naar die rauwe kanten.”

Hoewel zijn foto’s vaak als documentaire beelden ogen, zijn ze vrijwel altijd geposeerd. Hugo speelt graag met de grens tussen feit en fictie. Zijn portretten van rechters van het hooggerechtshof in Botswana, met hun Anglicaanse pruiken en rode mantels, lijken in scène gezet – toch is dit echt hun dagelijkse uniform. Anderzijds zijn de Nigeriaanse acteurs uit de serie Nollywood (2008) opzichtig als vampier of zombie geschminkt en spelen ze rollen. Hugo speelt zo een subtiel spel met de geloofwaardigheid van de fotografie.

„Iedereen die klakkeloos in een foto gelooft is sowieso gestoord”, lacht Hugo. „Zoals je ook niet alles wat in de krant staat moet geloven. Ik kijk liever naar filmdocumentaires, van Werner Herzog bijvoorbeeld. Hij zegt dat hij niet geïnteresseerd is in een ooggetuigenverslag maar in de waarheid zoals jij die ervaren hebt. En als je de realiteit moet manipuleren om die waarheid tot leven te brengen, dan doe je dat.”

Zelf heeft hij de fotografie al meerdere keren doodverklaard. „Mensen zijn geneigd betekenissen af te lezen aan mijn werk die ik er nooit bewust in heb gestopt. Daardoor ging ik mijn eigen beroep wantrouwen. Hoe langer je in het vak zit, des te meer vraagtekens je erbij gaat zetten. Soms voel ik me als een filosoof die God heeft doodverklaard en zich vervolgens de rest van zijn leven bezighoudt met de gevolgen van de dood van God. Ik geloof niet meer in het fotografische portret, maar ik ben nu al heel wat jaren bezig dit probleem te analyseren.”

De laatste tijd zoekt Hugo, die in Kaapstad woont, zijn onderwerpen dichter bij huis. Hij wijst op een foto van zijn dochtertje, op de dag dat ze geboren werd. „Dat komt door haar. Jarenlang heb ik non-stop gereisd, maar mijn zwerflust is nu een stuk minder geworden.” Hugo’s nieuwe serie, Kin, toont intieme blikken in zijn persoonlijke leven. In Den Haag hangen foto’s van zijn hoogzwangere echtgenote, van zijn moeder in het ziekenhuis na een borstverkleining, van zijn oma die hem heel dierbaar was, en van de zwarte bediende die van haar zestiende tot haar 77ste voor die oma gewerkt heeft.

Hugo: „Zuid-Afrika is een vreemd en schizofreen land, waar ik zielsveel van houd maar waar ik ook stapelgek van wordt. Het is een bitterzoete relatie, zoals ik die ook met mijn familie heb. Deze serie gaat over het falen van het Zuid-Afrikaanse koloniale experiment, en over mijn persoonlijke gevoel een soort koloniaal zwerfhout te zijn.”

Behalve familiefoto’s omvat Kin daarom ook typisch Zuid-Afrikaanse beelden. Zoals het portret van vijf jonge knullen in geruite pakken, die zojuist een initiatierite achter de rug hebben. En de foto van een wassen beeld van de eerste man die een harttransplantatie onderging, in 1967. Hugo: „Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar Zuid-Afrika was destijds een leider in de medische wereld. De economie was er ontzettend sterk, er was meer rijkdom dan in Europa.”

Heeft hij er nooit over gedacht te verhuizen? „Daar denk ik constant aan. Maar ook dan geldt de vraag: hoeveel verantwoordelijkheid ben je bereid op te nemen in relatie tot je verleden? Een deel van mij wil gewoon weggaan en alles achterlaten, een ander deel van me zegt: maar je maakt deel uit van die geschiedenis. Dan kun je er maar beter op reflecteren ook.”

Sandra Smallenburg

Pieter Hugo, This Must Be The Place – Selected Works 2003-2011. T/m 20 mei in Fotomuseum Den Haag. Inl: www.fotomuseumdenhaag.nl.