‘De lezer is een medeminnaar’

In een reeks literaire liefdesverklaringen zingt boekhandelaar Maarten Asscher de lof van Wiel Kusters’ essays.

‘Als ik een boek van voor tot achter lees – wat ik bij lang niet alle boeken doe – is dat een teken van grote overgave en bewondering. Dan is dat mijn lievelingsboek. Uiteraard moet dit na een dag, een week of een maand plaatsmaken voor een ander lievelingsboek, zo gaat dat als je met boeken leeft. Het gevoel van „hier wil ik het over hebben met anderen” – dat je meteen dat missionarissengevoel krijgt dat hoort bij een actieve lezer – had ik direct bij het boek dat ik nu lees, de bundel essays Dit nog, ook dit van Wiel Kusters.

,,Deze bundel bevat stukken over poëzie en proza die vanaf 1993 ontstaan zijn. Ze representeren een kleine twintig jaar lezen en schrijven. Alleen al uit de keuze van auteurs blijkt dat Kusters vanuit zijn eigen boekenkast schrijft. Het is zo’n knappe bundel omdat hij ‘literairder’ is dan de meeste literatuurwetenschap en grondiger dan de meeste essays, het zit er precies tussenin. Vanuit een bepaalde invalshoek probeert Kusters zo veel mogelijk in een verhaal of gedicht te vinden, en vervolgens te duiden wat hij gevonden heeft.

,,Zo staat er een erg mooi essay in over het gedicht ‘Afsluitdijk’ van Vasalis, met de beroemde openingsregel: ‘De bus rijdt als een kamer door de nacht’. Kusters gaat met de onbevangenheid die de ideale lezer kenmerkt zich alles afvragen dat er op je afkomt als je dat gedicht leest. Bijvoorbeeld: reed die bus nou van Den Helder naar Leeuwarden of reed-ie van Leeuwarden naar Den Helder? Ik herken die obsessieve nieuwsgierigheid.

,,Door deze bundel realiseer je je hoeveel er verloren gaat door de overmatige fixatie in onze tijd op het nieuwe en op de roman als literaire vorm. Literaire prijzen gaan altijd naar romans en als je als schrijver debuteert met korte verhalen, dan zeurt iedereen aan je kop met de vraag wanneer je roman komt. Dat doet de literatuur in zijn rijkdom absoluut onrecht. Door deze bundel ontdek je prachtige gedichten, zoals het gedicht ‘Mijn dochtertje zei: dood’ van Anton van Duinkerken, dat begint met de strofe:
Het woord, dat ik het zwaarst van al verdraag,
Dubbel onwelkom uit een kindermond,
Schrijnt mijn geheugen als een open wond,
Bloot voor de wind, naakt in een regenvlaag.

,,Kusters zelf is een dichter, en hij bedient zich in deze bundel van mooie omschrijvingen. Er staat een stuk in dat hij schreef voor de 65ste verjaardag van Kees Fens. Het gaat over de gedichten van Jan Hanlo, van wiens werk zij beiden liefhebber zijn. Hij noemt de jarige Fens een ‘medeminnaar’. Dat vind ik een prachtige formulering. Er komt een hele liefhebbende, bijna erotische gedachte mee op van twee lezers die het met dezelfde schrijver doen.

,,Kusters begint een van de essays met: ‘Soms maakt een gedicht andere verzen wakker. En via de lezer praten ze met elkaar.’ Dat is een mooie karakterisering van zijn werkwijze. Wat je gelezen hebt, zwemt in je rond en raakt elkaar aan. Dan maakt het niet uit of sommige dingen een eeuw eerder en andere een eeuw later geschreven zijn. Literatuur behoudt heel lang zijn opwinding.
,, Het bijzondere aan een essay over literatuur is dat je gebruik maakt van hetzelfde medium waarin het zich aan je voordoet. Je probeert met woorden iets te weten te komen over andere woorden. Het is alsof je alleen in muziek op muziek zou mogen reageren. Door deze bundel besef je weer eens dat alles wat je schrijft met duizend draden vastzit aan alles wat je gelezen hebt.’’