Canada kampt met Hollandse ziekte door oliereserve

Cijfers over de wereldeconomie zijn er dagelijks. Het verhaal daar achter vertellen onze correspondenten, elke maandag vanuit een ander land.

Een land dat beschikt over een van de grootste voorraden ruwe olie op aarde, de teerzanden in de westelijke Canadese provincie Alberta, heeft op het eerste gezicht weinig te klagen over de huidige staat van de wereldeconomie. Het niveau van de olieprijs, dat vorige week het hoogste punt bereikte sinds medio 2008, betekent vooral één ding voor olie-exporterende landen als Canada: kassa.

Multinationale oliemaatschappijen investeren tientallen miljarden dollars in de teerzanden. En de opbrengsten van de teerzandwinning, in omvang de tweede olievoorraad ter wereld na die van Saoedi-Arabië, stromen binnen. Toch worden de teerzanden in eigen land even vaak verguisd als geprezen om hun economische gevolgen. Vorige week liepen spanningen weer eens op toen de premier van de provincie Ontario, het industriële centrum van Canada, de teerzanden de schuld gaf van een crisis in de Canadese industriesector. De ongekende hausse bij de oliezanden heeft „exporteurs en fabrikanten de wind uit de zeilen genomen”, zei Dalton McGuinty.

Zijn redenering is niet nieuw: wegens de toenemende oliewinning wordt de Canadese dollar gezien als een ‘olievaluta’, die meestijgt met de olieprijs. Het gevolg: Canades exportproducten zoals auto’s en auto-onderdelen, worden duurder voor buitenlandse afnemers. Tegenover hogere olieopbrengsten in Alberta staat dan ook teruglopende industriële afzet in centraal Canada, waar de meeste mensen wonen.

Economen hebben een term voor dergelijke economische scheefgroei: Dutch disease, ofwel Nederlandse ziekte, een verwijzing naar de situatie in Nederland in de jaren zestig en zeventig, toen de ontdekking van aardgasreserves tot gezonde inkomsten leidde, maar de gulden onbetaalbaar werd voor buitenlandse afnemers van andere Nederlandse producten. De vondst van aardgas bleek nadelig voor de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie.

Door de teerzanden kampt Canada met hetzelfde probleem. De Canadese dollar is in de afgelopen jaren gestaag in waarde gestegen, min of meer in de pas met de olieprijs. De munt is gestegen van 62 Amerikaanse cent in januari 2002 tot 101 cent, dus boven pariteit, nu. Dat is mooi voor Canadezen die naar de Verenigde Staten reizen of iPads en andere Amerikaanse producten kopen. Maar voor de industriële exportsector van Canada, de grootste handelspartner van de VS, is het rampzalig.

Neem de auto-industrie, met een groot aantal assemblagefabrieken en toeleveranciers in Ontario. Tien jaar geleden had de Canadese autosector een handelsoverschot van 20 miljard dollar; nu een handelstekort van 12 miljard, nadat een aanzienlijk aantal fabrieken is gesloten. Werkgelegenheid in de branche is gedaald van 198.000 werknemers tot 131.000. In totaal zijn volgens econoom Douglas Porter van de Bank of Montreal een half miljoen industriële banen verloren gegaan in Ontario, mede door de opmars van de valuta.

Vandaar dat McGuinty zich zorgen maakt. „Als ik moest kiezen tussen een snel groeiende oliesector of een lagere dollar, dan zou ik aan de kant staan van de lagere dollar”, liet hij zich ontvallen.

Voorstanders van de teerzanden werpen tegen dat Ontario en andere delen van Canada ook profiteren van de hausse in de oliesector. Niet alleen via federale belastinginkomsten, maar ook door contracten voor industrieën ten behoeve van oliewinning, bijvoorbeeld de productie van apparatuur en buizen. Sceptici vinden echter dat de opbrengsten daarvan niet opwegen tegen de gederfde inkomsten van de exportbranche.

Wat wellicht meer ter zake doet is dat de keuze tussen exploitatie van de teerzanden en een lagere dollar niet echt bestaat. De onstuimige groei van de teerzanden in Alberta is een feit, ongeacht de gevolgen voor de Canadese dollar. De rest van Canada zal moeten leven met de symptomen.