Boodschappen aan huis

Dat Ahold vorige week internetwinkel bol.com kocht, heeft te maken met de verwachting dat wij steeds meer spullen aan huis bezorgd willen krijgen. Dat is, in zekere zin, een stap terug, want eeuwenlang werden spullen aan huis bezorgd door zogenoemde leurders en marskramers.

Over die uitgestorven beroepsgroep is, eveneens vorige week, een prachtig boek verschenen van Leontine Buijnsters-Smets. Het heet Straatverkopers en is voorbeeldig uitgegeven door Van Tilt (prijs €34,95).

In dit boek onderzoekt Buijnsters-Smets, boekhistorica, hoe straatverkopers tussen circa 1540 en 1850 zijn afgebeeld door Nederlandse kunstenaars. Zij kijkt naar tekeningen, naar zogenoemde centsprenten en naar illustraties in kinderboeken.

Ik heb een zwak voor straatverkopers omdat ik ze me vaag herinner uit mijn vroege jeugd. Zo kwam er bij ons in de straat, in Den Haag, heel af en toe een scharensliep – iemand die scharen en messen sleep. Hij maakte zijn aanwezigheid bekend door hard te schreeuwen. Ook de kaasboer die mij als hulpje aannam, kon heel hard schreeuwen. Ik herinner mij vooral zijn „Versssse aier!”

Buijnsters-Smets beschrijft de tekeningen en prenten van marskramers en straatroepers per eeuw. Zij begint met hoe de straatverkopers in liederen en muziek werden opgevoerd, want hun luidkeelse geroep trok internationaal vroeg de aandacht. Al in de zestiende eeuw verschenen er speciale publicaties over straatroepen in Parijs en Londen. De oudste liedtekst waarin Nederlandse leurdersroepen voorkomen, dateert zelfs uit het midden van de vijftiende eeuw. In dat lied is sprake van straatverkopers die onder meer ‘drughen harinc’ (droge haring), ‘sulverwit gaern’ (zilverwit garen) en ‘sauce de mostarde’ (mosterd) verkopen, terwijl ze ‘oude cleder’ (oude kleren) inkopen.

Anderen verkochten onder meer almanakken wafels, brillen en kammen – spullen die niet te zwaar waren. „De leurder bood niet alleen producten, maar ook bepaalde diensten aan”, schrijft Buijnsters-Smets. „De schoorsteen vegen, messen slijpen of hout kappen. Anderen lieten iets zien: een marmot die kunstjes deed, een goochelaar of kwakzalver.”

Aardig is dat die oude liedteksten – in totaal zijn er zestien liederen bekend waarin straatverkopers figureren – ook een beeld geven van hoe mensen op hun geroep reageerden, met name straatjongens. Riep een marskramer „Wie heeft er wat te kuipen?” (in te maken), dan antwoordden de straatjongens, aldus een lied: „Gy moet niet zo zuipen!” Riep een andere leurder: „Mooie doppers en peulen”, dan echoden de jongens, andermaal in rijm: „Mooie joffers uit Keulen, om achter den dijk mee te speulen.”

Onder de marskramers waren van oudsher veel Joden. Buijnsters-Smets trof ze geregeld aan op afbeeldingen uit de 18de en 19de eeuw, op losse prenten en op illustraties in kinderboeken. Ze verkochten meestal loterijbriefjes, brillen, drukwerk of augurken. Op de prenten heten ze vaak Mousje (van het scheldwoord smous), Nathan, Izaak of (lepe) Levie. Of simpelweg augurkjes-jood of loterij-jood. Opmerkelijk is hoe het taalgebruik van deze Joodse straatverkopers wordt weergegeven. Niet alleen hun roepen is karakteristiek („Wat ouds! Wat ouds!”, „Ouds kleer!”, „Ouwe kleren koop!”), maar ook hun gebrekkige uitspraak van het Nederlands. Zo verkoopt er een „Wholle hen Khathoene Dhekens”. Op een andere prent zegt Levie: „Mhaak hik himmers voor een prijsje”. Dit Joodse koeterwaals, zo weet ik uit andere bronnen, kom je zeker tot het begin van de 20ste eeuw tegen.

Alles bij elkaar moet het ooit een enorm geroep en geschreeuw zijn geweest op straat. De leurders prezen hun waren en diensten zo luid mogelijk aan en vaak riepen ze door elkaar heen. Uiteindelijk werd dit straatroepen aan het begin van de 20ste eeuw in veel Nederlandse gemeenten verboden. Dat ik ooit, in mijn jongste jaren, nog scharensliepen, schillenboeren en rondtrekkende kaasboeren heb horen roepen, is dus eigenlijk een klein wonder.

Reacties naar post@ewoudsanders.nl