Tijdens vorstperiode overleden bovengemiddeld meer ouderen

Tijdens de afgelopen vorstperiode zijn er fors meer ouderen overleden dan gemiddeld. Dat blijkt uit sterftecijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek vrijdag heeft gepubliceerd.

In 2011 overleden er gemiddeld 1.384 tachtigplussers per week. Tijdens de twee vorstweken waren dat er ongeveer 300 meer. De laatste keer dat er per week meer dan 1.700 tachtigplussers overleden was in 2009.

Ouderen lopen bij vorst een groot risico op onderkoeling. Dat komt doordat hun lichaam minder snel reageert op kou.

Zij gaan minder snel bewegen of bibberen – een reflex van het lichaam om warm te worden. Ook binnenshuis, in slecht verwarmde woningen, is dat een gevaar.

Ook griep is een belangrijke factor, maar sterfte daardoor heeft geen directe relatie met de buitentemperatuur. Griep doet zich bijna altijd voor in de wintermaanden, en dan is het altijd kouder dan gemiddeld. Maar een griepgolf kan ook optreden in een warme winter. Of, zoals dit jaar, juist niet optreden tijdens een vorstperiode.

Ook ongelukken door gladheid kunnen de sterfte verklaren. Dat kan verklaren hoe het komt dat de sterftepiek zich altijd net iets na de bitterste kou voordoet. Na een ongeval kan de dood nog enkele dagen op zich laten wachten.

De sterfte onder ouderen is het laagst bij een gemiddelde dagtemperatuur van 15 graden Celsius.