Servië isvooral cynisch over groen licht van Brussel

Het is een mijlpaal: Servië is kandidaat-lid van de EU. Maar welkom voelen de Serviërs zich niet. En blij? Het gaat eigenlijk al twintig jaar alleen maar slechter in het land.

Athene. - Serviërs zijn de afgelopen jaren meesters geworden in doen alsof niets ze meer wat kan schelen. Het geleidelijk verlies van de gekoesterde provincie Kosovo? Wederom uitstel van het tekenen van samenwerkingsakkoorden met de Europese Unie? Een economische recessie? Kom maar op, dat kunnen we ook nog wel hebben, al twintig jaar wordt toch alles minder.

De boodschap uit Brussel dat aan het einde van de lange lijst opdrachten heus een beloning wacht, werd doordat het zo lang duurde, minder geloofwaardig. De idee dat de buitenwereld Servië niet kan en wil begrijpen, heeft diep wortel geschoten.

Deze week is eindelijk een positieve mijlpaal bereikt. Donderdagavond besloten de Europese regeringsleiders unaniem Servië te verwelkomen als kandidaat-lidstaat. De politieke boodschap is dat de toekomst van het land onomstotelijk binnen de EU ligt. Voor zover daar nog twijfel aan mocht bestaan bij kritische regeringen, zoals de Nederlandse, of bij Servische nationalisten die flirten met Rusland, wordt die nu het zwijgen opgelegd.

Toch is de eerste reflex bij veel burgers illusieloos cynisme. ‘De volgende lijst met eisen ligt al klaar’. ‘Leuk voor president Tadic, maar de gewone man zal geen verschil merken.’

De afgelopen decennia waren er immers voortdurend teleurstellingen. Met het uiteenvallen van Joegoslavië verloor Servië de controle over grote gebieden waar Serviërs woonden. De pogingen van president Milosevic om dat met geweld te voorkomen draaiden uit op bloedige conflicten, en maakten van Servië een internationale paria.

Woede en frustratie hadden bij grote delen van de bevolking lang de overhand. Het was nooit moeilijk voor extreme nationalisten om de emoties op te poken. Dan gingen verarmde ex-militairen en hun families, Servische vluchtelingen uit Kroatië of Kosovo, en ontslagen medewerkers van failliete staatsbedrijven weer en masse de straat op.

Recenter heeft dat bij veel Serviërs plaatsgemaakt voor gelatenheid, en bij politieke partijen voor pragmatisme. Ook de vroegere radicale nationalisten zien dat er geen alternatief is voor lidmaatschap van de Europese Unie. In mei en juli werden de laatste nog loslopende hoge verdachten van oorlogsmisdaden uitgeleverd. Alleen marginale partijen blijven flirten met Rusland en Chinese investeerders.

Maar Serviërs weten inmiddels wel beter dan dat de EU een warme omhelzing is. EU-toetreding komt met, in de ogen van veel burgers, vernederende eisen. Zoals het accepteren van het verlies van de provincie Kosovo en samenwerken met Kosovaarse politici, die ze beschouwen als oorlogsmisdadigers en criminelen.

De voorwaarden voor EU-toenadering zijn ervaren als politieke bevelen. De timing wekt bovendien argwaan. Servië mag zich nu kandidaat-lid gaan noemen, vlak voordat eind april of begin mei parlementsverkiezingen zullen worden gehouden. Het is een vast patroon dat de EU een beetje meegeeft als de Democratische Partij (DS) van president Boris Tadic dat nodig heeft.

Tadic vaart een pro-Europese koers en luistert goed naar wat de EU wil zien. Maar zijn partij doet het slecht in de peilingen. Dat komt deels doordat de DS-regering concessies doet in de onderhandelingen met Kosovo. Maar vooral doordat de levenstandaard van veel burgers de afgelopen jaren is gedaald. Ruim twintig jaar geleden was Servië in verhouding met andere landen op de Balkan welvarend. Inmiddels bungelt het met Bosnië-Herzegovina en Albanië in veel statistieken onderaan. De afgelopen jaren is de werkloosheid verder gestegen, zijn inkomens gedaald en gingen de prijzen voor voedsel, benzine en stroom omhoog.

President Tadic legde na het groene licht uit Brussel dan ook vooral de nadruk op de economische voordelen. Hij sprak van „deuren naar economische vooruitgang en voorspoed” die open zullen gaan. „Het is niet alleen een politiek proces. Kandidatuurstatus geeft buitenlandse bedrijven zekerheid en met hen groeit de kans op nieuwe arbeidsplaatsen. Het is ook een kans voor ons midden- en kleinbedrijf en onze landbouw kan een grote aanwinst zijn voor de Europese markt.”

Maar ‘kandidaat’ zijn is nog lang niet hetzelfde als toetreden. Een startdatum voor de echte onderhandelingen daarover is er nog niet. Buurland Macedonië is al sinds 2005 kandidaat, zonder te onderhandelen. Turkije is sinds 1999 kandidaat, maar bij lange na nog geen lid. In andere buurlanden, zoals Roemenië, is te zien dat het gebruiken van EU-fondsen een taai proces is. Servië begint daaraan terwijl de EU op de rand van een economische recessie wankelt. Een optimist daar zou zeggen: ‘Ach, we zijn wel wat gewend.’