Schat, slaap, geel, vraat

Terug naar eerdere afleveringen, in geologische volgorde: de laatste afzetting het eerst. Vorige week werd besproken hoe bedroevend het is gesteld met het menselijk vermogen tot het schatten van lengtes, hoeken en aantallen. En hoe het van geval tot geval blijkt te variëren, zonder dat duidelijk is waar dat aan ligt. Het is écht een onderwerp waar een gediplomeerde psycholoog met een stuk of vijf psychologiestudenten als proefpersoon eindeloos over zou kunnen publiceren. Maar het is niet in de mode.

De kleine man zit ondertussen met die rare Monopoly-muntjes van de eurozone die hij na tien jaar nog steeds niet uit elkaar houdt. Elke keer weer is hij verbaasd dat-ie er iets voor kopen kan. Een lezer in Zaandam steunt het oordeel dat het een stommiteit was de diameters en kleuren van al die muntjes zo weinig te laten verschillen en bevestigt dat het verschil tussen guldens en rijksdaalders op het laatst ook te gering was. Maar dat probleem ontstond pas in 1967 toen de rijksdaalder, die tot 1954 wel 38 mm breed was en daarna nog steeds 33 mm, opeens, toen hij van nikkel werd, terugging naar 29 mm. Toen was het verschil met de gulden (25 mm) nog maar 14 procent.

Op 18 februari stond hier een beschouwing over het kamperen bij felle koude, in het bijzonder over het ongemak dat ontstaat bij het slapen op keiharde, want stijf bevroren grond. Het gewicht van het lichaam concentreert zich in zones rond schouders en heup, vooral de heup, en vroeg of laat dringt langs die gebieden de kou van de koude ondergrond het lichaam binnen. Dat was het ene punt. Het andere: dat de winterkampeerder, volkomen aangekleed opgepropt in de slaapzak liggend, zonder haperen last krijgt van de arm waar hij in zijligging half op liggen moet. Die arm gaat tintelen, verliest zijn gevoel of juist helemaal niet en kan op den duur ook raar koud worden. Zo’n arm wordt wel een lover’s arm genoemd omdat de ongunstige slaaphouding ook voorkomt bij stellen die op een te smal bed zijn aangewezen. Denk aan het achterste lepeltje van de lepeltjesconfiguratie. Er wordt ook wel gezegd dat de hinder ontstaat als de ene partner het hoofd te lang laat rusten op de bovenarm van de ander, maar dat laatste, bericht men van bevoegde zijde, komt in werkelijkheid nauwelijks voor. Het hoofd van de partner ligt namelijk eerder op de schouder, in een soort natuurlijke kom vlak onder sleutelbeen en schoudergewricht.

Nu goed, in 1992 besprak The Lancet onder het kopje ‘lover’s arm’ een wel heel schrijnend geval waarbij ook bloedstolling en versterf was opgetreden. Twee medici ging dit te ver; zij hebben de AW-redactie laten weten dat tegenwoordig onder een lover’s arm uitsluitend wordt verstaan een arm waarin de radialis-zenuw door afknelling tijdelijk is verlamd of uitgevallen. Dat blijkt trouwens op meerdere manieren te kunnen gebeuren, ook, bijvoorbeeld, als men zijn roes uitslaapt met de arm hangend langs de stoel (saturday night palsy). Of als de politie de handboeien te laat losmaakt. Zie de wiki ‘radial neuropathy’.

Een enkele lezer adviseerde het probleem van de te hoge heupdruk op te lossen door een heupkuiltje te graven voordat de tent wordt neergezet. Dat is een goed idee, maar bij bevroren grond is het geen sinecure. Een andere lezer berichtte dat men in de omgeving van de Himalaya wel op ellebogen en knieën slaapt, en dat zal de heupdruk zeker laag houden, maar het plaatje dat werd meegestuurd toonde uitsluitend de verschrikkelijke sneeuwman in deze houding.

De ‘poolsneeuw’ die tijdens de recente koudegolf bij heldere hemel uit de lucht viel (AW, 11 februari) blijkt minder zeldzaam dan lange tijd is aangenomen. Diverse lezers beschreven vakanties en situaties (vooral in Zwitserland en Oostenrijk) waarin zij de vreemde fijnkorrelige sneeuw al eerder waarnamen. En nooit een wolk aan de hemel. Aan de soms zeer overtuigende illusie (op foto’s) dat voetstappen in sneeuw of zand uit hun omgeving omhoogsteken (en er niet, zoals in het echt, in verzonken zijn) is snel een eind te maken door de foto’s in de buurt van een lamp precies zó te draaien dat de richting van waaruit het lamplicht erop valt overeenstemt met de richting waarin destijds het zonlicht op de voetstappen viel. Probeer het.

Op 28 januari is genoteerd dat Europeanen voor Chinezen net zo moeilijk uit elkaar zijn te houden als Chinezen voor Europeanen, maar daar zijn veel lezers het niet mee eens. Europeanen hebben immers blond, rood, bruin of zwart haar en Chinezen alleen maar zwart ook als ze grijs zijn. Verder zou er meer verschil zijn in teint en zijn onze neuzen en ogen variabeler. Chinezen hebben veel meer houvast dan wij, ze moeten beter hun best doen. De gewoonte om Chinezen en Japanners als ‘het gele ras’ aan te duiden, werd hier geschreven, danken we aan Carolus Linnaeus die al voor 1750 witte, gele, rode en zwarte rassen onderscheidde. Het is misschien niet toevallig, schrijft een Leidse hoogleraar, dat dit kleurenpallet overeenkomt met de kleuren die Hippocrates, Galenus en Empedocles verbonden met diverse lichaamsvloeistoffen: zwarte gal en dergelijke. En inderdaad schreef Linnaeus ook typische karaktertrekken toe aan de rassen die hij kende.

Van belang is dat vroege Engelse vertalingen van de rassennotities van Linnaeus de kleur die hij aan Aziaten gaf sallow noemen, wat volgens Van Dale net zo goed met vaalgeel als met grauwbruin is te vertalen. Een lezer in Bilthoven stuurde een tamelijk letterlijke Nederlandse vertaling van Linnaeus’ werk uit de periode 1761-1785 waarin dan ook staat: ‘De Asiaanen zyn bruin van Vel’. Misschien heeft Linnaeus een term gebruikt die ten onrechte voor ‘geel’ is versleten.

De foto van de Juniperus thurifera (Spaanse jeneverbes) die vandaag als illustratie dient slaat nog op een AW uit december. Toen ging het om de waarneming dat veel bomen bladerkronen hebben die heel precies op twee meter hoogte boven de grond eindigen. Maar giftige bomen en bomen die over sloten hangen hebben het niet. Daarom is het effect aan vraat toegeschreven. De lezer in Amstelveen meent dat zijn foto, gemaakt in de Franse Alpen, vraat als verklaring uitsluit. “Op deze helling komen geen koeien, schapen of geiten.” Hij zoekt een andere oplossing. Maar de AW-redactie denkt: hier kwamen wél geiten, en anders wel reeën of gemzen. Is dit een kwestie?