Lobbyist is schaamte voorbij

Illustratie Hajo

Haagse lobbyisten, vertellen ze, moeten onder alle omstandigheden voorkomen dat hun cliënten openlijk in conflict komen met het kabinet. Een goede lobbyist wil dat voor zijn. Hij weet wat in de Haagse worstfabriek aan de kook wordt gebracht en kan zodoende mogelijke economische schade voor cliënten tijdig tegengaan. Als een kabinetsformatie begint of, zoals komende week, onderhandelingen over een extra bezuinigingsronde ingaan, heeft een goede lobbyist zijn werk gedaan.

Maar hoe? Vooruitkijken. Verder dan menigeen zich zal realiseren. „Op dit moment”, zegt Peter van Keulen (45) van het Haagse lobbykantoor Public Matters, „zijn wij bezig met de nieuwe verkiezingsprogramma’s.”

Jammer alleen dat die nog geschreven moeten worden. „Ja, dat is duidelijk”, zegt Van Keulen met de routine – been there, done that – van de Haagse insider. Het is hem één keer gebeurd dat hij niet voorbereid was op nieuwe verkiezingen. En dat zal zijn kantoor nooit meer overkomen. „Daarom leggen wij nu al contacten met mensen die mogelijk mee gaan schrijven aan het programma van hun partij.”

Op soortgelijke wijze wist Van Keulen de laatste maanden naar eigen zeggen voor talrijke bedrijven te beletten dat zij nadeel ondervinden van extra bezuinigingen in de ‘tussenformatie’. Hij boorde zijn Haagse netwerk aan en bracht mogelijke besparingen in kaart. „We hebben vooral cliënten in de zorg gewaarschuwd.” Door de juiste ambtenaren en politici te benaderen is een aantal cliënten nu gerustgesteld. „Zij weten dat ze niet zoveel te vrezen hebben.”

Van Keulen wordt wel omschreven als het prototype van de moderne Haagse lobbyist. Ik sprak deze week een halve avond met hem en begrijp daar nu wel iets van. Hij heeft de drang dingen te veranderen. In het verleden werkte hij in Washington, bij de VVD-Kamerfractie, was huislobbyist van Ahold en richtte een vereniging op met het doel het imago van de beroepsgroep te verbeteren. Hij wil mensen overtuigen dat lobbyen goed is voor de democratie. Daarom keert hij zich tegen collega’s, vaak ex-politici, die hun netwerk in de politiek aanspreken. Dat versterkt het imago van oudere mannen die slinkse deals sluiten: „Het zit aan de bar en het hikt.” Dat beeld moest weg, en dat is hem gelukt – voor een deel.

Een verschil met tien of twintig jaar terug is dat lobbyisten in Den Haag geen verdachte beroepsgroep meer zijn. Kamerleden en ambtenaren maken openlijk gebruik van hun kennis. Als ze een tekst voor een motie nodig hebben, zegt Jaap Jelle Feenstra, sinds 2002 lobbyist van het Havenbedrijf Rotterdam, vragen parlementariërs zonder aarzelen een opzetje van hem: „Kun je iets voor me opstellen?”

Feenstra, die zelf twaalf jaar PvdA-Kamerlid was, weet nog dat ze vroeger in de Kamer „besmuikt'' deden over innige contacten met een lobbyist. „Nu is het geaccepteerd.” Ook lobbyisten zelf zijn de schaamte voorbij. „Als een Kamerlid onze tekst in een motie zet, heb ik hem overtuigd”, zegt Van Keulen. „Dan heb ik mijn werk goed gedaan.” Evengoed heeft hij er een ‘dubbel gevoel’ bij. „Het gaat soms wel héél gemakkelijk.”

De zweem van geheimzinnigheid rond de beroepsgroep is niet volledig verdwenen. Zesmaal per jaar komen de dertig invloedrijkste lobbyisten van Den Haag samen in een besloten genootschap, de Koning Willem I Kring. Het zijn de lobbyisten van de grootste bedrijven en instellingen, aangevuld met lobbyadviseurs zoals Van Keulen. (Hij lobbyt niet zelf, maar adviseert cliënten hoe ze hun lobby op moeten zetten.) Feenstra is beoogd voorzitter van de Willem I Kring. Ze bespreken trends in hun vak en ontvangen gasten als Stef Blok, de fractievoorzitter van de VVD, en Kamervoorzitter Gerdi Verbeet (PvdA). Met haar bespraken ze het „politieke klimaat en de betekenis voor ons beroep”, zegt Feenstra.

Dit klimaat is een walhalla voor lobbyisten: een minderheidskabinet dat veel zaken niet in het regeerakkoord heeft vastgelegd. „Je kunt kabinetsplannen gemakkelijk veranderen”, zegt Van Keulen.

Ook signaleren lobbyisten een neiging om meer te politiseren. Het komt doordat hun greep op de overheid afneemt, zegt Rob Meines (Meines en partners). Meines, oud-redacteur van NRC Handelsblad, sloot zich enkele jaren terug bewust aan bij het CDA. Een reactie op de onzekerheid van de moderne politicus. „Ze werden wantrouwend als je zei dat je neutraal bent.” Nu ze weten van welke partij hij is, „doen we gemakkelijker zaken”.

Ook Meines, baas van een van de invloedrijkste Haagse lobbykantoren, benadrukt dat „diep inzicht” in het politieke bedrijf het succes van een lobbyist bepaalt. Tegelijk zijn enkele prominente ex-politici aan zijn bureau verbonden: oud-Kamerlid Bert Bakker (D66) en ex-minister van Buitenlandse Zaken Bernard (Ben) Bot (CDA). „Als het moet ben ik zo bij een minister binnen”, zegt Bot. Niet dat hij daarop uit is. „Je begint laag in een bureaucratie, bij de man die het wetsvoorstel zit te schrijven.”

Bot (75) doet het niet voor het geld. Na een lange carrière in de diplomatie – hij leidde jaren de Nederlandse vertegenwoordiging in Brussel – neemt hij geen zaken aan die zijn reputatie kunnen schaden. Het valt hem op dat ambtenaren steeds toegankelijker worden. „Ze willen weten wat er op ze afkomt.” Bij Kamerleden kan hij „bijna altijd meteen terecht”. Een lobbyist speelt in op de scoringsdrift van Kamerleden, zegt Bot. „Vroeger zaten ze er 25 jaar, nu moeten ze zich meteen bewijzen.” En bedrijven voor wie hij werkt hebben vaak geen idee van de ambtelijke wereld. „Ze schrijven een arrogante brief en denken dat er naar ze geluisterd wordt.”

Bot heeft ook een groot Brussels netwerk. Voorzitter Barroso van de Europese Commissie kent hij al jaren, net als begrotingscommissaris Olli Rehn. „Toen hij laatst in Den Haag was heb ik nog met Rehn gegeten.” Rehn wordt voor Nederland van kapitaal belang nu het land niet in staat is volgend jaar het begrotingstekort naar 3 procent terug te brengen. „Ik zou hem tot flexibiliteit kunnen brengen, denk ik”, zegt Bot met een lachje.

Een pikorde voor Haagse lobbyisten laat zich niet eenvoudig samenstellen: de meningen lopen sterk uiteen. Maar als je goed luistert, wordt in Den Haag met veel ontzag gesproken over directeur Niek Jan van Kesteren van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Van Kesteren is sinds 1991 werkgeverslobbyist en maakte er vele kabinetten mee. Een wat verlegen man, CDA’er, die op de achtergrond blijft – hij wilde voor dit stuk niet geïnterviewd worden. „VNO-NCW is top of the bill ”, zegt Van Keulen. „Zij beheersen elk aspect van het vak.” Bij de vorming van het kabinet bleek die invloed. Zo propageerde VNO-NCW het (super)ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie dat toen werd gevormd.

Maar een goede lobbyist zal zo’n succes dus niet gauw publiekelijk vieren. Voor een goede lobbyist zijn media een gebruiksmiddel. „In het algemeen geldt”, zegt Van Keulen, „dat je de media pas opzoekt als je lobby niet het gewenste resultaat heeft gehad.” En wat journalisten zich zelden realiseren: voor een goede lobbyist is een interview meestal een manier om een nederlaag af te dekken. „Je bepleit een zaak waarvan je weet dat die niet meer haalbaar is”, zegt Van Keulen. „Zodat je later tegen je achterban kunt zeggen: we hebben er alles aan gedaan.”