Joan I, cartograaf van Holland

De New Look, het Bauhaus, de femme fatale, de polonaise. Europa is meer dan eurofobie en de Griekse tragedie. In een wekelijkse serie over de cultuur die het continent bindt: de Atlas van Blaeu.

Volgens Voltaire was Amsterdam een stad van canaux, canards, canaille. Voortbordurend op zijn alliteratie hoop je dat Nederland tegenwoordig gezien wordt als een natie van kaas, kunst, kaarten. Denk bij het eerste aan gouda en leerdammer, bij het tweede aan Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan, en bij het derde aan Blaeu en TomTom – of aan Google Maps, dat net als de kaarten-app van de iPhone draait op de digitale plattegronden van het Rotterdamse bedrijf AND. Cartografie zit in het DNA van de Nederlander – dat verklaart ook het onwaarschijnlijke succes van de peperdure thema-atlassen van Bos – maar een Hollandse uitvinding is het niet. De eerste beroemde kaarten werden gemaakt op basis van het geografisch pionierswerk van de Alexandrijnse wiskundige Claudius Ptolemaeus (ca 90-160) en de tweehonderd jaar jongere ‘Peutingerkaart’, waarop schematisch alle Romeinse wegen in Europa aangegeven stonden.

De cartografie ging pas echt bloeien in de zestiende eeuw, toen met de ontdekkingsreizen en de opkomende wereldhandel de kennis van – en behoefte aan – gedetailleerde (zee)kaarten explodeerde. Rond 1550 werden in Rome en Venetië voor het eerst losbladige kaarten in boekvorm verenigd; een idee dat navolging vond in het snel groeiende cartografiecentrum Antwerpen, waar Abraham Ortelius in 1570 zijn Theatrum orbis terrarum (‘Het wereldtheater’) uitbracht, met 58 kaarten. Vanaf 1580 publiceerde zijn landgenoot Gerardus Mercator het eerste deel van zijn ‘Atlas’, zo genoemd naar de mythologische reus die niet alleen de wereld op zijn rug torste maar ook beschouwd werd als de eerste geograaf. Vier jaar later werd Antwerpen ingenomen door de Spanjaarden en vluchtten de meeste kaartdrukkers – net als vele kunstenaars en handelaren – uit angst voor de Inquisitie noordwaarts.

In het nieuwe handelscentrum Amsterdam maakte vooral de Vlaamse uitgever-drukker Jodocus Hondius, eigenaar van de nalatenschap van Mercator, naam als kaarten- en (zak)atlasverkoper. Zijn zaak in de Kalverstraat werd overgenomen door zijn schoonzoon, maar raakte haar monopolie kwijt met de opkomst van de firma Blaeu. In het pand De Vergulde Sonnewijser aan het Damrak was vader Willem begonnen als globemaker, cartograaf en uitgever van onder meer Vondel en Descartes. Samen met zijn zoons Joan en Cornelis gaf hij in 1630 zijn eerste atlas uit, met 60 kaarten die deels waren gekopieerd van die van zijn concurrent. Wat volgde was een soort wapenwedloop, de twee uitgevershuizen probeerden elkaar af te troeven met steeds ambitieuzere atlassen: meer kaarten, nieuwe gebieden (ook de zee en de hemelen), mooiere illustraties en marginalia. Met als culminatie de Atlas Maior (1662) van Joan Blaeu, het Star Wars van de cartografie: elf delen op folioformaat, 3.000 pagina’s beschrijving (uiteindelijk in vijf talen), 600 kaarten, onwaarschijnlijke detaillering. ‘Je kunt tot op straatniveau inzoomen!’ zouden Fokke & Sukke (gewapend met verrekijker) grappen in hun commentaar op venster nummer 19 van de Historische Canon van Nederland, de Atlas van Blaeu.

De nauwkeurigheid was echter betrekkelijk. De Atlas Maior was een hutsepot van oude en nieuwe kaarten die lang niet allemaal waarheidsgetrouw en zeker niet up-to-date waren. Op reis had je er sowieso weinig aan, omdat Blaeu wegen het liefst wegliet – die tastten de esthetiek van de detailkaarten aan. De Atlas was meer kunst dan wetenschap, en zo werd hij ook op de markt gebracht. Het bezit ervan – al gauw werden er speciale pronkkasten voor ontworpen – werd een statussymbool, alleen de puissant rijken konden hem betalen. Voor 250 gulden had je de simpelste uitgave, een bedrag dat gelijkstaat met 20.000 euro nu; met als gevolg dat er in totaal maar 300 van zijn gemaakt. Dat er daarvan maar veertig bewaard zijn gebleven, is niet zo verwonderlijk: hoe duur de Atlas Maior ook was, losgesneden en per kaart verkocht in een knappe lijst leverde hij altijd meer op. Vandaar dat zoveel cartografielen een originele, ingekleurde Blaeukaart van hun woonplaats boven de schoorsteenmantel hebben hangen.

Dat inkleuren, door Amsterdamse moeders en kinderen, was een complete nevenindustrie in de drie Amsterdamse vestigingen van de firma Blaeu, waar toch al tachtig werknemers vijftien drukpersen draaiende hielden. Haar faam was wijdverspreid; zo bracht de Florentijnse heerser Cosimo III de’ Medici in 1667, vier jaar na de publicatie van een Italiaanse stedenatlas, een uitgebreid bezoek aan de winkel. Vijf jaar later was een winterse brand in de werkplaats aan de Gravenstraat wereldnieuws; doordat het bluswater in de strenge vorst bevroor, werd het hele pand verwoest, inclusief boeken, prenten en persen. De schade werd geraamd op 380.000 gulden, in euro’s tientallen miljoenen. Of de dood van Joan Blaeu, anderhalf jaar later op 76-jarige leeftijd, hiermee verband hield, is niet zeker; wel dat het bedrijf een kwarteeuw later niet meer bestond.

‘O reisgezinde geest, gij kunt die moeite sparen / en zien op dit toneel de wereld groot en ruim / beschreven en gemaakt in klein begrip van bla’ren’. Aldus Joost van den Vondel in het voorwoord tot een van de eerste Blaeu-atlassen. De ‘prins der dichters’ was niet de enige kunstenaar die gefascineerd was door het werk van Blaeu. Op talloze genrestukken uit de Gouden Eeuw zijn door Willem of Joan uitgegeven wandkaarten nageschilderd, bijvoorbeeld op Vermeers De soldaat en het lachende meisje (ca 1660). Kunst die kunst kopieert die in eerste instantie als gebruiksvoorwerp bedoeld was – een mooier eerbetoon kan een kaartenmaker zich niet wensen.

Pieter Steinz

xxx