Invasie Irak of bestaan van god, Hawking weet raad

Stephen Hawking – His Life and Work. Kitty Ferguson, Bantam Press, London. 406 blz., € 26,99

‘Als ik niet in een film speel, vind ik het leuk om aan natuurkundeproblemen te werken.” Dat zei Stephen Hawking tegen acteurs in de televisieserie Star Trek, waarin hij eens een (bescheiden) rol speelde. Een veelzeggende uitspraak, niet alleen omdat hij Hawkings humor illustreert, maar vooral omdat hij de cultstatus toont die deze Engelse natuurkundige heeft opgebouwd. Het verhaal is overbekend: tijdens zijn studie werd bij hem een verlammende spierziekte geconstateerd, die hem binnen enkele jaren aan een rolstoel kluisterde en tegenwoordig nauwelijks meer tot enige beweging in staat stelt. Dat verhinderde hem echter niet om als theoretische natuurkundige na te denken over het ontstaan van het universum en de extreme omstandigheden en verschijnselen rond zwarte gaten.

Zijn boek A Brief History of Time uit 1988 werd overal ter wereld een bestseller – één op de 750 mensen ter wereld heeft het gelezen (althans, gekocht) – en maakte hem wereldberoemd: een geniaal brein in een niet meer normaal functionerend lichaam. Alles wat hij doet of waarover hij zich uitspreekt, haalt het nieuws: buitenaards leven, de invasie in Irak, stamcelonderzoek en natuurlijk het bestaan van God.

Hoewel zijn levensprognose aanvankelijk erg slecht was, vierde hij begin dit jaar zijn zeventigste verjaardag. Dat was voor Kitty Ferguson reden om haar eerdere biografie uit 1991 aan te vullen en op te poetsen. De definitieve biografie, voor zover daar al sprake van kan zijn, heeft dat niet opgeleverd. Ferguson en Hawkins zijn vrienden: hun kinderen gingen naar dezelfde school in Cambridge, waar ze ook allebei wonen, en ze werkten samen aan een boek. Ferguson neemt dan ook te weinig afstand van haar onderwerp. Maar ze schreef wel een aangenaam boek over leven en werk van een uitzonderlijk wetenschapper.

Opvallend is dat het werk centraal staat. Steunend op een gedegen kennis van wat er in de afgelopen jaren over dit onderwerp aan populair-wetenschappelijke literatuur is gepubliceerd, slaagt Ferguson erin de lastige materie op een alleszins acceptabele manier uit te leggen. De kosmologische ontdekkingen en ideeën waar Hawking zijn bekendheid aan dankt zijn nogal esoterisch en hebben een sterk wiskundige grondslag. Je moet echt van goeden huize komen wil je je lezers inzicht kunnen geven in de verschijnselen die zich afspelen onder omstandigheden waar toch al niet simpele natuurkundige theorieën als de quantummechanica en de relativiteitstheorie het af laten weten. Wat duidelijk naar voren komt, is dat Hawking weliswaar een aantal baanbrekende theorieën heeft ontwikkeld, die inmiddels volledig zijn geaccepteerd, maar dat zijn meer recente werk, vanaf de jaren negentig, het niveau van speculatie nauwelijks ontstijgt.

Terwijl Ferguson dit alles helder uiteenzet, heeft ze het lastiger als ze Hawkings leven beschrijft. Voor een eigen, onafhankelijke visie daarop staat ze te dicht bij hem. Ze schetst wel een onderhoudend beeld van het excentrieke gezin en Addams Family-achtige huis waarin Hawking opgroeide, maar moet tegelijk toegeven dat ze zijn huwelijksproblemen in haar eerste biografie volledig verzweeg, en hier nu pas over kan schrijven omdat Hawkings echtgenote daar inmiddels mee naar buiten is gekomen.

Ongetwijfeld heeft Ferguson ook nu weer bij het schrijven Hawkings blik over haar schouder gevoeld. Daar komt bij dat ze zelf te veel voor het voetlicht treedt, bijvoorbeeld omdat ze slecht kan accepteren dat Hawking geen noodzaak ziet voor een God als Schepper en religie tegenwoordig zorgvuldig buiten zijn wetenschappelijke theorieën houdt.

Rob van den Berg