Ik had geen behoefte om mensen te vernietigen

Als hij geen toernooien speelde, verkende hij het nachtleven van Amsterdam en Rotterdam. Jan Timman heeft eindelijk zijn leven op orde. „De bohémien in het schaken is niet meer.”

Jan Timman: „De topspeler van vandaag is een geheelonthouder, die iedere avond braaf achter zijn laptop doorbrengt.” Foto Flip Franssen

Jan Timman heeft zijn tegenstander laten ontsnappen. Eén moment van onachtzaamheid en de Rus Andrej Orlov van schaakvereniging Bochum kwam met de schrik vrij. Winst gemist, remise geworden. Timman, spelend aan het tweede bord van schaakvereniging Köln Porz in de een na hoogste klasse van de Duitse schaakcompetitie, heeft een dag later nog de pest in.

„Ik speel soms partijen waarin ik beter in vorm ben dan in mijn beste tijd”, aldus de 60-jarige grootmeester. „Maar in het vierde uur verflauwt soms mijn concentratie. Het is één van de problemen van ouderdom. Eén fout kan betekenen dat het hele bouwwerk omvalt dat met veel zorg is opgebouwd. Het heeft in mijn geval altijd met berekeningen te maken, nooit met strategie. Schaken is een wrede sport.”

De woonkamer van zijn appartement in een winkelstraat in Arnhem staat in het teken van schaken en muziek. Met zijn 23 jaar jongere vrouw Geertje Dirkse deelt hij een passie voor Bob Dylan. Foto’s van Dylan en Frank Zappa hangen aan de muur, een uitgebreide CD, platen- en boekenverzameling van Dylan (vooral van haar) staat in een boekenkast. Aan de muur tevens een schilderij van een schaakspel van de kunstenaar en schaakliefhebber Ruud Maliangkay.

In de kamer staan drie schaakspellen opgesteld; in een vitrine staan nog eens vier spellen, waaronder een uniek exemplaar van oud-topschaker Alexander Aljechin (1892-1946) met oranje en blauwe stukken.

Tijdens het interview houdt Geertje vanaf het bankstel een oogje in het zeil. Soms springt ze ineens op om achter de computer een partij internetschaak te spelen. Dat wekt ook de interesse van Timman. Van verre levert hij commentaar: „Doe maar toren d3.” Even later: „paard f4.” Geertje: „Was ik al van plan.” Jan: „Goed, heel goed, dat helpt.”

Een andere interruptie wordt veroorzaakt door de kat Kashka, die als een dolle door de kamer rent. Timman slaat het tafereel met genoegen gade. „De onafhankelijkheid van de kat spreekt mij aan”, zegt hij. „Ik ben geen man voor een hond. Als je elke ochtend naar kantoor gaat heb je een baas. Dan wil je zelf ook wel eens de baas zijn, dus neem je een hond.”

In 2007 begon hij met Geertje naar eigen zeggen „een nieuw bestaan” in Arnhem. Nu, een kleine vijf jaar later, heeft hij zijn leven op orde. Sinds drie weken gaat hij zelfs naar de sportschool, „een noodzakelijk kwaad” om zijn overgewicht onder controle te krijgen.

Na jarenlange afwezigheid werd hij begin dit jaar bij het Tata Steel schaaktoernooi in Wijk aan Zee met applaus begroet, „een heel ontroerende ervaring”. Hij speelde in de een na hoogste groep. Over het resultaat is hij niet tevreden. Blunders in de laatste fase van partijen speelden hem ook hier parten. „Er waren diverse momenten dat ik een stelling had met mogelijkheden. Het zou fijn zijn als je, als een goochelaar, uit een betoverde hoed op zo’n moment een frisse blik kunt halen.”

Daarnaast zijn er in korte tijd twee boeken van zijn hand verschenen. Vorig najaar een eclectisch werk met eindspelstudies onder de titel The Art of the Endgame en deze week een boek voor een breed publiek met persoonlijke portretten van tien schakers die hem dierbaar zijn, onder wie Aljechin, Gari Kasparov, Judit Polgar en Bobby Fischer, die hij ‘de Clint Eastwood van het schaken’ noemt.

Aan het boek over eindspelstudies heeft hij zeven maanden gewerkt. „De essentie van deze studies is dat het sportieve element is verdwenen. Het gaat om de schaakstukken zelf. Echte schoonheid is zonder fouten, dat probeer je te bereiken.”

De schaakportretten zijn dikwijls indringend, met als hoogtepunt een even fraai als ontroerend verhaal over Mischa Tal (1936-1992) uit Letland, met wie Timman lotsverbondenheid voelt. Citaat: „Tal hield niet van poeha. Het was voor hem een uitdaging zijn leven te leiden zoals hij het zelf wilde. Er waren geen concessies aan duurdoenerij; er was geen plaats voor ijdelheid.”

Timman: „Ik heb ook zijn neergang beschreven, nadat ik eerst heb laten zien dat hij succesvol was. Uit schrijversoogpunt is dat een aantrekkelijke formule. Het leven van iemand die alleen maar succes kende heeft niet dezelfde spanningsboog. Je zag het zelfs aan Kasparov. Hij is gestopt op het moment dat hij aanvoelde dat hij weg zou zakken. Toen ging hij de politiek in, maar dat is niets voor hem. Hij kwam in een moeras terecht.”

Een kantoorbaan heeft Timman nooit kunnen bekoren, materiële rijkdom als Anatoli Karpov heeft hij niet met zijn sport willen vergaren. Op jonge leeftijd koos hij „voor de vrijheid” en raakte hij „bevangen door de romantische aantrekkingskracht van de schaakstukken”. Na een blauwe maandag wiskunde te hebben gestudeerd, in het voetspoor van beide ouders, vestigde hij zich als schaakprof in Amsterdam. Hij zou er 37 jaar blijven wonen, hoewel dat een betrekkelijk begrip is.

„Ik zat niet veel thuis”, beaamt Timman. Als hij geen toernooien speelde en niet in het buitenland verbleef verkende hij het nachtleven van Amsterdam en Rotterdam. Met zijn lange haar, androgyne voorkomen en de quasi onthechte relatie die hij met de schaaksport onderhield had hij de tijdgeest mee; hij oogde laconiek, was antiburgerlijk en won desondanks genoeg partijen om door te stoten naar de wereldtop waar hij zich, inmiddels getrouwd en vader van twee kinderen, in de jaren tachtig en negentig nestelde achter de twee K’s uit de Sovjet-Unie: Kasparov en Karpov.

„Achteraf moet je vaststellen dat ze beter waren”, aldus Timman. „Ik ben nooit gefrustreerd geraakt dat het niet is gelukt wereldkampioen te worden. Het streven om het te worden heeft mij altijd meer beziggehouden. Na mijn veertigste heb ik nog een match om het wereldkampioenschap gespeeld tegen Karpov [in 1993; toen Kasparov en Nigel Short uit de wereldschaakbond FIDE waren gestapt en een eigen tweekamp om de wereldtitel speelden]. Ik had goede hoop die te winnen; Karpov was niet goed in vorm. Ik kreeg in een aantal partijen stellingen met klein voordeel, maar had moeite die in winst om te zetten.”

Geen killer?

Timman reageert korzelig en citeert collega grootmeester John van der Wiel: „Geen killer, maar wel een schaker die er geen enkele moeite mee had bloed te laten vloeien.” Later komt hij erop terug. „Ik had geen behoefte mensen te vernietigen maar wel om ze te verslaan. Misschien dat het bij mij opgewekt moest worden: toeslaan in de beslissende fase van matches. Koelbloedig blijven.”

Enkele jaren na zijn verloren strijd tegen Karpov werd zijn huwelijk ontbonden. Ilse Dorff, met wie hij sinds 1978 getrouwd was, plukte hem kaal. Het grimmige verhaal is bondig beschreven in de biografie De Geest van het Spel over Timman van journalist John Kuipers, die eind vorig jaar is verschenen. Na zijn scheiding pakte hij de draad van zijn oude leven weer op, maar wat in de jaren zeventig vrijgevochten oogde was nu minder vrolijk. In een onbarmhartig portret in de Volkskrant met de titel ‘Scheppen of stukmaken’ schetste journaliste Corine Koole in mei 2002 het beeld van een wereldvreemde en aan lager wal geraakte schaker op zijn retour.

Enkele maanden vóór de publicatie had Timman tijdens het jaarlijkse schaaktoernooi in Wijk aan Zee Geertje Dirkse uit Utrecht leren kennen. Ze raakten met elkaar aan de praat over Bob Dylan in hotel Sonnevanck, waar de schakers na afloop van de wedstrijden vaak ontspannen. In de week na het toernooi, tijdens een bezoek aan hotel Americain en kunstenaarssociëteit De Kring in Amsterdam, deed zij hem de CD Love and Theft cadeau. Toen Timman voorstelde er bij hem thuis naar te luisteren stemde zij toe. „Ik dacht echt dat we alleen naar Dylan zouden luisteren. Zo naïef was ik toen”, zegt ze.

Timman was er destijds volgens haar slecht aan toe: „Hij voelde zich doodongelukkig en dronk meer dan goed voor hem was. Ik heb hem geholpen zijn leven weer op orde te krijgen. Net zoals hij mij heeft geholpen. Ik was onzeker, verlegen, impulsief. Nu heb ik rust gevonden.”

In het portret van Tal schrijft Timman over hun beider gewoonte tijdens toernooien na afloop van wedstrijden te drinken aan de bar: „Dit is een romantiek die verloren is gegaan. De topspeler van vandaag is een geheelonthouder, die iedere avond braaf achter zijn laptop doorbrengt.”

Timman: „De bohémien in het schaken is afgeschaft. Misschien moet ik zeggen: uitgestorven. Hij past niet meer in het systeem van heel serieuze voorbereiding dat nodig is om de absolute top te halen.”

Timman zegt dat hij veel nadenkt over de kern van het schaken. „De omstandigheden zijn veranderd, door de computer is de sport tactischer geworden, ten koste van de strategie. Maar het strijdperk is hetzelfde gebleven.”

Na een lange stilte: „Er zijn dingen misgegaan die je zou willen overdoen. Niet, of minder, in mijn leven, maar wel domme schaakzetten. Elke partij die je hebt verloren zou je willen overdoen.”