Ik ben van het soort dat denkt dat-ie alles zelf het beste weet

Robbert Ammerlaan (68) stopte deze week als directeur/uitgever van De Bezige Bij. Maar helemaal weg is hij niet. Hij houdt een kamer op zolder aan en hoopt „de beste adviseur te worden van mijn opvolger”.

De dagen van Robbert Ammerlaan zijn doortrokken van weemoed. Het is eind februari en hij weet dat deze grote kamer in het gebouw van De Bezige Bij vanaf 1 maart niet meer van hem zal zijn. Hier, aan deze zwarthouten tafel, dronk hij koffie met bijna alle groten van de naoorlogse literatuur. Nu staan ze nog even beschermend om hem heen, als borstbeeld of als schilderij; Mulisch, Campert, Claus, Komrij, Hermans en al die andere schrijvers die De Bezige Bij groot maakten. Maar achter de deur staan de verhuisdozen al opgestapeld. Het metersgrote Wolkers-vierluik boven zijn bureau zal hij nog het meest gaan missen. „Ik vind het Jans mooiste werk”, zegt Ammerlaan, met wijd opengesperde ogen naar het dwarrelende blauw en wit kijkend. „Het leven, de zee, de lucht… ik kan er helemaal in verdwijnen.”

Ammerlaan (68) zal nog wel twee jaar in dienst blijven als publisher at large. In die periode zal hij proberen om in Antwerpen een Vlaamse pendant van De Bezige Bij van de grond te krijgen, net als de Amsterdamse vestiging onder de vlag van de Weekbladpers. Ondanks dat vooruitzicht knaagt het afscheid aan hem. „Ook omdat het niet ‘af’ is en nooit af zal komen. Ik weet van twintig, dertig auteurs waar ze mee bezig zijn. Ik heb contracten met ze afgesloten, ben enorm benieuwd naar hun nieuwe werk. Terwijl ik weet dat ik er straks slechts van afstand getuige van zal kunnen zijn.” Hij zal in elk geval nog twee jaar een klein zolderkamertje tot zijn beschikking hebben. En hij zal een aantal schrijvers blijven begeleiden. „Met sommige auteurs ben ik echt bevriend geraakt: John Irving, Donna Tartt, Karen Armstrong. Die zijn mij trouw van uitgeverij naar uitgeverij gevolgd. Hun werk zal ik onder mijn hoede houden.”

U gaat nu weg. Maar wilt u eigenlijk ook weg?

„Daar ben ik zeer dubbelhartig in. Formeel had ik met 65 met pensioen moeten gaan, maar de Weekbladpersgroep heeft me gevraagd drie jaar langer te blijven. Om inhoudelijke redenen wil ik niet weg. Ik kan mij niets mooiers voorstellen dan wat ik nu doe: het werk uitgeven van schrijvers die ik bewonder, het contact onderhouden met auteurs. Andere aspecten zal ik minder missen. Een deel van het werk is dat je moet zorgen voor een bedrijf, voor winst. Dat is enorm goed gelukt, maar ik vind het niet erg om straks van die financiële verantwoordelijkheid verlost te zijn. Het is mij altijd om de inhoud gegaan.”

Hij heeft zijn werk nooit beschouwd als een klus die geklaard moest worden, als een karwei dat je daarna zomaar overdraagt aan een ander, benadrukt Ammerlaan tijdens het gesprek verschillende keren. Daarvoor is de relatie met auteurs nou eenmaal te precair. „Het werken met geestelijk eigendom van een ander schept bijna vanzelf een intieme band. Dat is per definitie van emotie doortrokken.”

Ging u ’s morgens voor uw gevoel naar uw werk?

„Nee. Ik ging naar mijn tweede huis. Ik heb hetzelfde gevoel dat de generatie van Harry, Remco en Hugo Claus had. Zij beschouwden dit huis als het op één na belangrijkste huis in hun bestaan. Als Harry aan zijn huis dacht, dan dacht hij eerst aan de Leidsekade, maar onmiddellijk daarna aan de Van Miereveldstraat. Remco had zelfs lange tijd in zijn contract staan dat hij altijd de mogelijkheid moest hebben om hier onderdak te krijgen. Dat gevoel heb ik ook.”

Dus binnenkort bent u dakloos?

„Dat zou zo zijn als ik geen andere bezigheden had. Ik word publisher at large, uitgever in algemene dienst. Ik hoop de beste adviseur te worden van mijn opvolger. En ik ga in Antwerpen aan de slag. Na de teloorgang van uitgeverij Manteau is er eigenlijk geen literaire uitgeverij van formaat meer in Vlaanderen. De bedoeling is dat er over twee jaar iets staat.”

De Bezige Bij bestrijkt met haar uitgaven Vlaanderen toch allang?

„Ik krijg inderdaad stevig met mezelf te maken. Want ik heb getracht de beste Vlaamse auteurs naar Amsterdam te halen. Nu zal ik proberen ze naar Antwerpen te krijgen. Al zullen we elkaar niet gaan beconcurreren. Het zullen zusterbedrijven zijn.”

Laat de markt wel ruimte voor een nieuw uitgevershuis?

„De cijfers wijzen nog steeds uit dat het niet goed gaat. Maar ik blijf geloven in wat ik gedaan heb, en in wat ik ga doen. Toen ik hier in 1999 kwam was het ook niet makkelijk. De Bij had op dat moment al vijf, zes jaar zware verliezen geleden. Toch heb ik er geen moment aan getwijfeld dat ik het tij zou kunnen keren.”

Waaraan herken ik bij de boeken die de Bij uitgeeft de hand van Robbert Ammerlaan?

„Dan moet je kijken naar wie er tussen 1999 en 2012 als nieuwe auteurs bij ons zijn uitgegeven. Een beter visitekaartje van een uitgever is er niet. Ik denk dat als ik je dat lijstje zou voorleggen, je zou zeggen: ‘Die jongen die daar tussen 1999 en 2012 heeft gezeten heeft een verdomd mooi fonds bij elkaar gebracht’. Dertig, veertig schrijvers – uit binnen- en buitenland. En niet de minsten! Daarmee staat De Bezige Bij als een huis. De opdracht toen ik kwam luidde niet voor niets: breng De Bezige Bij terug op de prominente positie waar die uitgeverij thuishoort.”

Zijn liefde voor De Bezige Bij heeft oeroude wortels, zegt Ammerlaan. Hij staat op, loopt naar zijn bureau, opent een la en komt terug met een boek: Kompas der Nederlandse Letterkunde. „Dit is voor mij een relikwie”, zegt hij plechtig. Hij kreeg het in 1949 van zijn vader cadeau voor zijn vijfde verjaardag. Zijn vader, „een gepassioneerd lezer” en boekverkoper bij de Bijenkorf, had het zelf gekregen van Geert Lubberhuizen, de toenmalige directeur van De Bezige Bij. „Uit de ene korf in de andere. Van Bij tot Bij”, schreef Lubberhuizen op het schutblad. Vader Ammerlaan liet het boek vervolgens signeren door alle grote schrijvers die hij tegenkwam, speciaal voor zijn zoon. Roland Holst, Hoornik, Morriën, Bomans, ze lieten er allemaal hun naam in achter. Wim Bijmoer en Fiep Westendorp signeerden met een kleine tekening, Karel Jonckheere koos voor een gedicht voor ‘Waarde Rob’. „Een mooiere introductie tot de literatuur en De Bezige Bij was nauwelijks denkbaar.”

Toch zei Ammerlaan niet direct ‘ja’ toen hij in 1998 gevraagd werd. „Ik had een comfortabele positie bij Ambo Anthos. In die dagen heb ik zelfs even overwogen om een eigen uitgeverij op te zetten. Maar ik besefte dat ik daar met 55 toen al wat te laat mee was. Uiteindelijk realiseerde ik me dat het aanbod van de Bij een opdracht was die ik niet mocht laten lopen. Tegen zo’n baan zeg je geen ‘nee’. Een huis in neergang, met zo’n rijke geschiedenis, verbonden aan mezelf en mijn oude vader, dat speelde allemaal een rol.”

Wat moet je kunnen om uitgever te zijn?

„Je moet oprecht houden van wat je doet: het werken met schrijvers en het exploiteren van het geestelijk eigendom van een ander.”

Ligt de nadruk dan op het exploiteren of op dat geestelijk eigendom?

„Op de inhoud. Het is onmogelijk om succesvol te zijn met boeken waar je hart niet bij ligt.”

Moet je dan alles wat je uitgeeft zelf mooi vinden?

„Liefst wel. In ieder geval moet je herkennen dat het in zijn genre het beste is wat er is. Ik kan een goede thriller direct herkennen. Ook in dat genre heb ik enig succes geboekt met het opmerken van Nicci French en Karen Slaughter.”

U moet ook boeken hebben uitgeven die u eigenlijk slecht vond.

„Ik zou ze werkelijk niet kunnen noemen. Ik heb natuurlijk voorkeuren, zie zwaktes in sommige manuscripten. Ook van grote schrijvers.”

Wees u hen daar dan ook op?

„Bij heel grote schrijvers is dat buitengewoon moeilijk. Het eerste manuscript van Mulisch waar ik mee te maken kreeg was Siegfried. Ik las het in één ruk uit, maar ik had wel een paar kleine punten die me opvielen. Die legde ik aan Harry voor. Hij luisterde er enigszins geamuseerd naar. Er was maar één ding waarin hij mij gelijk gaf. We hadden enige onenigheid over de spelling van het speelgoedmerk Schuco. We hadden er allebei ooit mee gespeeld; autootjes en treintjes die reden op een dun stalen kabeltje. Hij schreef het als Schucko. Uit mijn speelgoedvoorraad wist ik een doosje van zo’n autootje op te diepen. Dat Schucko heeft Harry toen veranderd. M’n andere punten heeft hij genegeerd.”

Het klinkt alsof u zich met ieder boek dat de Bij uitgaf bemoeide.

„Ik heb nog nooit een boek uitgegeven zonder dat ik het grotendeels gelezen had. Er is hier nooit een boek uitgegeven waar ik niet persoonlijk ‘ja’ tegen heb gezegd. Ik ben van het soort dat denkt dat-ie alles zelf het beste weet. Soms lees ik maar een deel van het manuscript. Bij buitenlandse boeken word je vaak gedwongen om te beslissen op grond van twintig pagina’s. Op het gebied van de non-fictie is de cultuur van de proposals gangbaar. Men schrijft een voorstel van twintig pagina’s, op basis waarvan je moet beslissen. Razend lastig, omdat sommige auteurs in staat zijn om proposals te schrijven die vele malen beter zijn dan hun uiteindelijke boek.”

Naar verluidt heeft De Bij wel een miljoen aan voorschotten uitstaan, die vermoedelijk niet meer terugkomen.

„In elk geval een bedrag van vele tonnen. Wat niet terugkomt schrijven we af. Ieder jaar trekken we voorschotten die niet verdiend zijn van de winst af. En desondanks zijn onze resultaten uitstekend.”

Een sleutelwoord in uw carrière als uitgever is ‘veroveren’. U gaat ver om een auteur in uw fonds te krijgen.

„Ach, ik geef om auteurs. Heel goed schrijven is het allermooiste maar ook het allermoeilijkste wat er is. Daar heb ik een onwaarschijnlijke bewondering voor Dat laat ik merken. Maar ik heb nog nooit tegen een auteur die elders publiceerde gezegd: ‘je moet bij ons komen’. Het initiatief ging altijd van hun uit.”

De Ammerlaan-omhelzing is een begrip geworden. U begroet mensen alsof u een doodgewaande vriend na dertig jaar weer terugziet.

„Ik ben wie ik ben. Dat is niet gespeeld. Ik hou van mijn werk, en vaak ook van de mensen persoonlijk. Daar ben ik bepaald niet karig in.. Ik weet zeker dat auteurs voelen hoezeer ik op ze gesteld ben. Oprechte belangstelling is voor hun meer waard dan dure contracten.”

Had u eigenlijk niet zelf graag Mulisch willen zijn?

„Er zal heel ver weg – ik zal het niet ontkennen- een gemankeerde schrijver in mij schuilgaan. Ik wil niet vals bescheiden zijn. Ik kan een heel behoorlijk non-fictieboek schrijven. Maar ik ben geen romanschrijver.”

Jan Siebelink zei: ‘Ik schrijf mijn boeken in de eerste plaats voor Robbert. Ik wil dat hij het mooi vindt’.

„Ik heb iets soortgelijks meegemaakt toen ik in 1999 naar de Bij overstapte. Ik liet Karen Armstrong achter bij Ambo Anthos. Zij heeft toen een brief geschreven aan Ambo: ‘Voor veel schrijvers geldt dat ze hun boeken schrijven voor iemand. Ik schrijf mijn boeken voor twee mensen: voor mijn Amerikaanse redacteur Jane en voor Robbert Ammerlaan. Ik doe een beroep op u: laat mij ook naar de Bij gaan’. En zo is het gebeurd.”

Terwijl collega-uitgevers u vooral zien als De Grote Wegkaper.

„Ik weet dat ik me niet populair heb gemaakt. Veel uitgevers hebben auteurs aan mij verloren. Maar ik kan daar tegenin brengen dat geld nog nooit de doorslag heeft gegeven. Ik heb voortdurend de magie van dit huis laten zien. Het instituut Bezige Bij is zelf de best denkbare etalage. In de jaren vijftig was dat niet anders. Ik ben met boeken van De Bij opgevoed. Mijn liefde voor boeken begon met De sprookjes van Grimm, voorgelezen door mijn vader. Hij kwam om kwart voor zeven thuis uit Amsterdam. In zijn tas had-ie bijna altijd een nieuw boek bij zich, voor mij en mijn zussen. Hij hing zijn jas op, deed de kelderkast open, dronk één slok uit de fles met oude jenever. Daarna trok hij mij op schoot en begon voor te lezen.” Zijn vader zou het ‘ongekend prachtig’ hebben gevonden als hij had geweten dat zijn zoon ooit de grote baas van diezelfde Bezige Bij zou worden. Maar hij stierf in 1994, vijf jaar voordat Ammerlaan bij De Bij aantrad. „Daar wil ik in het openbaar liever niet over filosoferen. Dat zou mij emotioneren. En hij is gelukkig wel in de negentig geworden.” Ammerlaans moeder werd maar 62. Ze stierf in 1973 een zelfgekozen dood. Hij was in die tijd nog parlementair journalist. „Ik zat in de koffiekamer van de Tweede Kamer toen ik plotseling gebeld werd.” Het is al bijna veertig jaar geleden, maar het speelt nog altijd een grote rol. „Tot op de dag van vandaag. Het verlaat je nooit. Het heeft me jarenlang uit het lood geslagen. Eigenlijk is dat nu nog wel zo. Het litteken blijft, al wen je langzaamaan wat meer aan de pijn.”

Was het vreemd om op een dag ouder dan uw moeder te worden?

„Ik ben me daar heel sterk van bewust geweest. Ik had de dag precies uitgerekend, in januari 2005. Ik ga nooit lang met vakantie, maar toen ging ik vier weken weg. Appartement gehuurd in Parijs, een schriftje meegenomen en een koffertje met familiepapieren. Daar ben ik herinneringen aan mijn ouders op gaan schrijven. Niet met een speciaal doel, eerder met de hoop om toch iets te kunnen duiden. Het wonderlijke is dat het activeren van het geheugen echt blijkt te werken. Beelden en namen kwamen terug, woorden werden zinnen, zinnen werden alinea’s. Mijn ouders kregen meer contouren. Ik begreep het leven van mijn moeder beter. Door over haar te schrijven is ze voor mij veel dichterbij gekomen. Na thuiskomst heb ik nog geregeld in dat schriftje geschreven. Ik sluit niet uit dat ik het nog ’ns afmaak.”

Overweegt u om het uit te geven?

„Nee. Ik heb het voor mezelf geschreven. Dit zijn dingen die nooit overgaan. Je merkt aan mij dat ik er niet zonder emotie over kan praten. Daarom is het goed om er toch een vorm aan te geven.” Hij pauzeert, lang en ongemakkelijk. „Er ging nog iets aan vooraf. Kort voordien hebben mijn vrouw en ik ons eerstgeboren kindje verloren. Een jongetje. Michiel. Hij heeft maar een paar dagen geleefd. Dat was de eerste echte kras op ons leven.”

Vertelt u zulke dingen ook aan uw auteurs?

„Aan een enkeling die me dierbaar is. Dit is natuurlijk privédomein, maar ik duik er ook niet in weg. Het is iets wat mij in belangrijke mate heeft bepaald. Vanaf die dag heeft mijn leven een andere weg genomen. Ik was voordien een zondagskind, een vrolijke, zonnige jonge man, die het allemaal aan kwam waaien. Maar opeens lag er een schaduw over het landschap.

„Ik schijn op mensen vaak een montere indruk te maken. Wie mij lief is kent mijn kwetsbaarheid en het verdriet daarachter.”

Mensen die u kennen zeggen: hij valt volledig samen met zijn baan. Zijn baan is zijn identiteit. Als je die baan van ’m afpakt, is dat in feite euthanasie.

„Daar zit een kern van waarheid in. Maar dat laatste is sterk overdreven.”

U heeft ook een buitenboeks leven?

„Zeker. Hoe mooi de baan ook was, er zitten meer aspecten aan mij vast.”

Welke dan?

„Ehm… ja… nou ja, dit was toch wel mijn hartstocht, ja. Ik ben overigens door de familie van Harry gevraagd om zijn biografie te schrijven. Dat zou een geweldig mooie opdracht zijn. Ik aarzel alleen of ik er niet te oud voor ben. Aan een goede biografie ben je zes, zeven jaar bezig. Dan ben ik 75.”

Het woord ‘opvolger’ leek voor u lange tijd het engste woord dat er bestaat.

„Ja, omdat ik het betreur gescheiden te worden van dit stuk van mijn leven. In feite is dit een beroep dat je tot je laatste snik kunt uitoefenen. Ik kon er maar niet aan wennen dat er een moment zou komen waarop ik niet meer zou kunnen beslissen welk boek we zouden moeten uitgeven.”

Aanvankelijk zou Onno Blom u opvolgen, daarna Hans Nijenhuis. Beiden vertrokken uiteindelijk weer.

„Ik heb er nooit over getwijfeld of het een juist besluit was om niet met ze door te gaan. Ik was er snel van overtuigd dat Hans en ik er hetzelfde over dachten: dit is voor geen van beiden goed. Datzelfde gold voor Onno, die misschien toch meer schrijver dan uitgever is. Ik vond ze uiteindelijk beiden niet geschikt genoeg.”

Waarom is Henk Pröpper dat wel?

„Dat kan ik nu nog onmogelijk weten. Al is het wel een goed teken dat ik hem zelf – met overtuiging – heb voorgedragen. Bij Henk herken ik een verwante liefde voor schrijvers, boeken en literatuur. Ik zal hem met raad en daad bijstaan. Ik zal hier zeker nog blijven rondlopen, want ik kan niet tegen functies zonder inhoud. Publisher at large moet wel iets betekenen. Maar het verschil tussen ‘rondlopen’ en ‘voor de voeten lopen’ begrijp ik maar al te goed.”