Hartstochten van de hadj

Geschiedenis

Het British Museum wijdt voor het eerst een expositie aan de hadj, de islamitische bedevaart. Het tentoongestelde materiaal is uniek, maar het verhaal ontziet de Saoedische Bewaarders van de Heiligdommen.

Pelgrims op weg tijdens de hadj van 1909. Foto Abbas Hilmi II, Durham University

Bezoekers van het British Museum gedragen zich als pelgrims. Ze fotograferen elkaar op het voorplein, tegen de achtergrond van de hoge classicistische zuilen, en beklimmen vol eerbied de brede trappen. Het imposante gebouw aan de Great Russell Street in Londen is opgetrokken in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen de zon in het Britse Rijk nooit onderging, en het is niets minder dan een imperiaal heiligdom. Schatten uit alle delen van het rijk zijn hier bijeengebracht, van de originele Magna Carta tot Amerikaanse totempalen, van Egyptische mummies en Chinese vazen tot het oudst bekende manuscript van de Koran.

Ja, ook een oude Koran. Een deel van de verzamelde schatten kwam uit rijksdelen met grote moslimgemeenschappen: Brits-Indië (grotendeels het huidige India), Egypte, Malaya (het vasteland van het huidige Maleisië). Ooit zelfstandige vorstendommen, maar in de negentiende eeuw koloniën en protectoraten. In die dagen waren de Britten beducht voor de grote bedevaart naar Mekka, de jaarlijkse hadj. Zij vreesden, net als de Nederlanders in Oost-Indië, dat pelgrims uit de hele islamitische wereld daar, buiten het gezichtsveld van de koloniale autoriteiten, samenspanden tegen hun meesters. Van die achterdocht is weinig meer te merken nu het British Museum voor het eerst een tentoonstelling organiseert over de hadj (nog te zien tot 15 april).

Het museum kreeg de volle medewerking van en bruikleen van kostbare stukken uit Saoedi-Arabië. Deze nog jonge staat omvat sinds 1925 de heilige steden Mekka en Medina en is verantwoordelijk voor de hadj. De expositie gaat niet in op de innige relatie tussen religie en politiek bij deze partners; ze vertelt vooral een verhaal van veertien eeuwen pelgrimage. Vanuit alle windstreken, over enorme afstanden en onder grote ontberingen reisden moslims naar Mekka, om gehoor te geven aan Koranvers 22:27: ‘En kondig onder de mensen de bedevaart af, dat zij tot u komen, te voet en op elk vermagerd dier, langs elke diepe bergpas.’

Die tijdloze religieuze geestdrift is de leidraad van de tentoonstelling. Curator Valeria Porter noemde haar project ‘Reis naar het hart van de islam’. Dat is een verwijzing naar Ottomaanse tijden, toen de rijkshoofdstad Istanboel gold als het zwaard, Kaïro met zijn Al-Azhar universiteit als het hoofd en Mekka als het hart van de islam. Een bezoek aan de expositie is een minibedevaart, niet door de woestijnen van Arabië, maar door de Reading Room, een rond gebouw met koepel op de immense binnenplaats van het museum. Vroeger was dit de grote leeszaal van de British Library, waar Karl Marx en Mahatma Gandhi bronnenonderzoek deden; sinds 2000 is het een expositieruimte.

Luid biddende massa’s

Bij binnenkomst wordt de bezoeker geconfronteerd met het extatische karakter van de hadj. Klanken van de azan, de zangerige oproep tot het gebed, en van luid biddende massa’s; manshoge close-ups van pelgrims verzonken in gebed; en luchtopnamen van de tawaf, de massale ommegang rond de Ka’ba, het met zwart brokaat beklede, kubusvormige heiligdom midden in de grote moskee van Mekka. In hetzelfde voorportaal hangt een fraaie sitara, een met gouddraad geborduurde voorhang van de Ka’ba. Een geschenk van wijlen koning Fahd (1982-2005) aan het heiligdom en een Saoedisch visitekaartje.

Na deze zintuiglijke introductie volgt een godsdienstles. Volbrenging van de bedevaart in Dhul-Hijjah, de twaalfde maand van het islamitische (maan)jaar, is één van de vijf ‘zuilen des geloofs’, waarop de profeet Mohammed (570-632 A.D.) zijn leer, de islam (‘onderwerping aan God’) fundeerde. De andere vier zijn: de geloofsbelijdenis, het plichtgebed, de liefdadigheidsbelasting en het vasten in de maand Ramadan.

Deelname aan de hadj is aan voorwaarden gebonden. De aspirant-pelgrim moet over voldoende middelen beschikken – hij mag zich voor de reis niet in de schulden steken – en familie moet goed verzorgd achterblijven. Verder moet de bedevaartganger in goede gezondheid verkeren. In de twintigste eeuw is de stroom pelgrims aangezwollen door welvaartsgroei en massatransport – vorig jaar waren het er al twee miljoen. Toch kan maar een klein percentage van alle moslims de tocht aanvaarden.

De tentoonstelling laat bijzondere voorbeelden zien van ‘sacrale geografie’: oude atlassen waarin islamitische cartografen de toen bekende wereld tekenden met de Ka’ba in Mekka als middelpunt. Er zijn ook reisverslagen van pelgrims, fraaie oude handschriften uit India, Perzië en het Indonesische eiland Sulawesi. Die maken duidelijk dat het ritueel in Mekka in veertien eeuwen nauwelijks is veranderd. Maar de reis ernaartoe, dat is een heel ander verhaal.

Eeuwenlang doorkruisten pelgrims uit de verste uithoeken van de islamitische wereld, van Andalusië tot Zuid-China, woestijnen, bergruggen en oceanen, op weg naar Mekka. Een zware test van fysiek en mentaal uithoudingsvermogen. Ze reisden te voet, per kameel of per zeilschip. Pelgrims riskeerden zandstormen, schipbreuk, ziekten of overvallen, maar ze waren niet bang voor de dood. Wie sterft tijdens de bedevaart, denken moslims, gaat rechtstreeks naar de hemel en al zijn zonden worden uitgewist.

En dan is er, in het hart van de Reading Room, de eindbestemming: Mekka, de Gezegende, de geboorteplaats van Mohammed. De elite van die stad wees zijn verkondiging aanvankelijk af, waarop hij zijn toevlucht zocht in Medina. Maar in 630 veroverden zijn getrouwen Mekka en in 632, het laatste jaar van zijn leven, maakte hij voor het eerst de bedevaart naar het heiligdom van Abraham.

Politieke dimensie

Valeria Porter wilde alle facetten laten zien van de hadj: de saamhorigheid en devotie van de pelgrims, veertien eeuwen geschiedenis, de geografie (reisroutes en kaarten) en de logistieke problemen van deze jaarlijkse massale samenkomst. In die ambitie is ze grotendeels geslaagd. De tentoongestelde documenten (certificaten, reisgidsen, reisbeschrijvingen, paspoorten); de kaarten en kompassen; de oude foto’s in sepia; de gebruiksvoorwerpen van pelgrims – een opvouwbaar schaartje, een uitgereikt scheermes – en de weefsels voor de Ka’aba: ze zijn prachtig en vaak uniek. Ze laten zien hoe oud en tegelijk hoe levenskrachtig de traditie is, hoezeer de hadj cartografie, kalligrafie, weefkunst en ook de moderne kunst heeft geïnspireerd en wat voor een religieus enthousiasme hij elk jaar weer losmaakt onder gelovigen. Toch klopt er iets niet.

De bedevaart had ook altijd een politieke dimensie. De leiding, organisatie en beveiliging van de hadj waren voorbehouden aan de opvolger (kalief) van Mohammed, de leider der gelovigen. Dat hij de bedevaart leidde, bevestigde zijn gezag over de geloofsgemeenschap. De eerste drie kaliefen (Abu Bakr, Umar en Uthman) woonden in Medina en gingen zelf voor in de jaarlijkse hadj naar Mekka. Toen massacommunicatie nog neerkwam op mondelinge overlevering, vertelden pelgrims bij thuiskomst wie de hadj had geleid.

Ali, neef en schoonzoon van Mohammed en de vierde kalief, verlegde het zwaartepunt van de islam naar Irak. Zijn afzetting leidde tot een breuk tussen sji’ieten (de partij van Ali) en (zegevierende) soennieten. Onder Mu’awiya (661-680), de eerste kalief van de dynastie der Omayyaden, verschoof het centrum naar Damascus. Sindsdien ontfermden heersers zich op afstand over de heilige plaatsen, de bedevaartroutes en de pelgrims. Met de Omayyaden begon de traditie dat de kalief jaarlijks zorgde voor een nieuwe kiswa, de rijk geborduurde omhulling van de Ka’ba.

Maar er waren er meer die aanspraak maakten op het leiderschap der gelovigen. Toen de Mamelukken, nakomelingen van slaven die waren opgeklommen in het leger van de kalief, in de 13de eeuw de macht veroverden in Egypte, stuurden zij tijdens de hadj een ceremoniële lege draagstoel (mahmal) naar Mekka, als symbool van hun wereldlijke macht. Sindsdien werd de kiswa geweven in Kaïro. Toen de Ottomaanse Turken in 1517 Egypte veroverden, zetten zij de traditie voort. De hadj werd steeds aangegrepen om het leiderschap van de islamitische wereld te claimen.

Deze politieke dimensie van de bedevaart wordt in de tentoonstelling wel belicht, maar die lijn wordt niet doorgetrokken naar het heden. We zien een prachtige negentiende-eeuwse mahmal van rode zijde, zilver- en gouddraad, die de namen draagt van de Ottomaanse sultan Abd al-Aziz (1861-1876) en van zijn khedive (onderkoning van Egypte) Ismail, die deze mahmal liet maken.

Allengs wordt duidelijk waarom de expositie dit politieke spoor laat doodlopen in het woestijnzand. We lezen dat ‘corruptie en uitbuiting van pelgrims ophielden toen koning Ibn Saoed, sultan van de Nedjd, in 1925 de steden Mekka en Medina veroverde’. We vernemen ook dat de kiswa voortaan werd geweven in Saoedi-Arabië. Maar zo gladjes ging het niet.

Saamhorigheid

De Saoeds zijn al generaties lang volgelingen van de geloofszuiveraar Muhammad ibn Abdul al-Wahhab (1703-1792). Wahhabieten als zij beschouwen de verering van heiligen en hun graven als veelgoderij. In 1925 maakten Ibn Saoeds ikhwan (‘broeders’, wahhabitische bedoeïentroepen) de bouwsels op alle graven van de groten der islam met de grond gelijk en vernietigden ze ontoelaatbaar geachte versieringen aan moskeeën, afbeeldingen van mensen in openbare gebouwen, muziekinstrumenten en andere in hun ogen ketterse frivoliteiten. Bij de verovering van Jeddah, in december 1925, werd het koepelgebouwtje op het graf van Eva verwoest. De ikhwan richtten hun geschut zelfs op de zilveren koepel boven het graf van de Profeet in Medina. Maar toen kwamen westerse diplomaten in Jeddah tussenbeide, beducht als ze waren voor de woede van hun moslimonderdanen in de Oost.

Pelgrims die worden geïnterviewd in de laatste sectie van de tentoonstelling (thuiskomst), houden aan de hadj over het algemeen een overweldigende indruk over van broederschap. Tijdens de tawaf gaan ze immers op in de traag stromende rivier van mannen en vrouwen die luidkeels hun dienstbaarheid aan God betuigen, gehuld in dezelfde eenvoudige witte weefsels die ieder verschil in status en welstand uitwissen. De hadj is een indrukwekkend vertoon van religieuze saamhorigheid.

Toch zijn niet alle moslims gelijk voor de huidige Bewaarders van de Heiligdommen. Wahhabieten beschouwen sji’ieten, de volgelingen van Ali, namelijk als ‘afgodendienaren’, die eigenlijk niks hebben te zoeken in Mekka. Sji’itische pelgrims klagen regelmatig over molest door de Saoedische religieuze politie.

De expositie is prachtig, maar de claim van de Saoedische partners op het leiderschap van alle moslims had wat gerelativeerd mogen worden.