Feiten en interpretatie: het verschil is niet zo gemakkelijk te maken

Kranten die sorry zeggen – pijnlijk, maar soms is het nodig.

Bill Keller, hoofdredacteur van The New York Times, betreurde in 2004 de berichtgeving van zijn krant over de vermeende massavernietigingswapens van Saddam Hussein. „Achteraf hadden we de beweringen [van de overheid] agressiever moeten onderzoeken”, schreef hij.

Mediamagnaat Rupert Murdoch deed het dramatischer, met zijn paginagrote advertenties We are sorry, na het debacle van The News of the World. „Dit is de nederigste dag van mijn leven”, aldus de tycoon.

Volgende week begint Thom Meens, oud-ombudsman van de Volkskrant, op verzoek van de hoofdredactie met een onderzoek naar de berichtgeving van NRC Handelsblad over prins Friso. Die heeft een storm van protest opgeroepen, nadat medische feiten over de prins waren onthuld in een persoonlijk getinte voorpaginareportage.

Dat externe onderzoek is een primeur voor deze krant.

Lezers vroegen mij wat ik daarvan vind, of ik was gekend in de keuze voor Meens en of dit nu betekent dat de ombudsman van de krant zelf geen rol meer speelt.

Kort en goed: ik vind het een uitstekend idee, de hoofdredactie heeft me erin gekend, nadat Meens was gevraagd, en uiteraard blijf ik als onafhankelijke ombudsman mijn mening geven over journalistieke kwesties – inclusief deze. Al zal ik geen nader feitenonderzoek doen, dat is nu eerst voor Meens.

Ik vind het een goed idee omdat een buitenstaander soms zaken ziet die intern niet eens meer opvallen. Zoals ook de Volkskrant (waar Meens toen ombudsman was) een ‘onthulling’ over martelen door Nederlandse militairen in Irak in 2006 liet onderzoeken door buitenstaanders, journalist John Jansen van Galen en advocaat Germ Kemper.

Maar sorry blijft het moeilijkste woord, om Elton John aan te halen. Vooruitlopend op het onderzoek van Meens „betreurde” de hoofdredacteur de berichtgeving in een verklaring aan de lezers, afgelopen zaterdag (Feiten en interpretaties).

Hoewel, betreurde?

Eigenlijk rechtvaardigde hij de berichtgeving opnieuw, met het verweer dat de gemelde feiten gewoon klopten. Het waren de „interpretatie” en „beeldvorming” geweest, met name op de maandag erna, toen de krant een interview met neurochirurg Tulleken plaatste, die de zaak uit de rails hadden laten lopen. Daarover betuigde de hoofdredacteur spijt, niet over het nieuws.

Hoe moet je dat begrijpen?

De perceptie dat de krant goed nieuws heeft uitgeschreeuwd, heeft op het eerste gezicht inderdaad iets vreemds. De kop boven het artikel die zaterdag luidde toch echt niet ‘Goed nieuws over prins’ of zoiets. (Maar: Hoe zal het brein van prins Friso zich houden? Een vraag dus.)

Toch vind ik het onderscheid tussen neutrale feiten en latere positieve interpretatie dat de hoofdredacteur maakt, nog niet overtuigend. Het gaat er niet alleen om of het gemelde feit – dat de prins geen schedelbasisfractuur had – klopte, maar vooral waarom de krant een ander, veel minder positief, feit niet meldde: de extreem lange reanimatieduur. Een feit waarvan redacteur Jannetje Koelewijn schreef dat ze het „niet mag weten”, maar dat bij de krant wel bekend was.

Ja, een bron kan natuurlijk dingen voor zich willen houden. Het argument was dat de exacte reanimatieduur op verschillende manieren kan worden uitgelegd: het kan schadelijk zijn of, in combinatie met een hartstilstand (en dat feit was de krant niet bekend) zeer schadelijk. En dus kwam de schedelbasisfractuur wel in de krant, maar dit feit niet. Koelewijn schreef alleen dat de reanimatie „vrij lang” had geduurd. Een week later onthulde de krant alsnog toen te hebben vernomen dat het om 45 minuten ging (het waren er 50).

Maar dat verschil tussen ‘harde’ en ‘zachte’ medische feiten lijkt me nogal gekunsteld. Hoe je het ook interpreteert, dit feit was in elk geval niet positief. Of de afwezigheid van een schedelbasisfractuur wel per se gunstig is, werd trouwens na de publicatie alweer tegengesproken door andere artsen. Ook dat ‘harde’ feit kun je dus kennelijk naar hartelust interpreteren.

Het lijkt mij daarom dat de krant niet alleen maar „naar eer en geweten” kloppende feiten heeft gepubliceerd waar vooral Tulleken achteraf zijn eigen draai aan heeft gegeven. Door met de selectie van de feiten die de bronnen maakten mee te gaan, heeft de krant ook een indruk – positiever dan tot dan toe bekend was – van de situatie gewekt, vanaf het begin. „Wees blij”, citeerde de verslaggeefster haar man op BNR Nieuwsradio.

Zo hebben ook de meeste lezers het opgevat. Ik ging in een eerder stuk, vorige week dinsdag, ook af op die positieve indruk, al vroeg ik me wel af hoe doorslaggevend dit ‘positieve’ nieuws eigenlijk was. Achteraf bleek het irrelevant.

Waarom moest deze selectie van de feiten dan zo de krant in?

De krant ontkent dat het motief van de arts – het volk geruststellen – een rol speelde. Slecht nieuws zou net zo goed zijn afgedrukt, zei de hoofdredacteur. En de Rijksvoorlichtingsdienst moest worden gecorrigeerd. Al had die nooit beweerd dat de prins wél een schedelbasisfractuur had. Dat was een gerucht uit de Oostenrijkse media, dat hier onder meer werd overgenomen door De Telegraaf.

Dat kun je ook negeren. Nu liet de krant zich, voor feiten en interpretatie, mede leiden door een man die zichzelf achteraf omschreef als een „pathologische optimist”.

Ook ik wacht het onderzoek van Meens met belangstelling af.

Sjoerd de Jong