Doelwit Baba Amro De sluipschutter mikt op de hals

De Amerikaans-Franse schrijver Jonathan Littell liet zich eerder dit jaar naar het hart van vechtend Homs brengen. Vóór die stad na zware gevechten door het Syrische leger werd ingenomen sprak hij in de opstandige wijk Baba Amro met activisten, notabelen, religieuzen en deserteurs die samen het vrije Syrische leger vormen en Assad weerstaan. „Als de wereld ons in de steek laat , moeten we wel oproepen tot de jihad.”

Rebellen brengen wapens, medicijnen en troepen over de rivier in de omgeving van Al Janoudyah, in de provincie Idlib. Foto AFP

‘Baba Amro is een staat binnen de staat.” B., de soldaat die dit zegt, is een knappe man met een fijn, beweeglijk gezicht. Zijn ogen fonkelen, deels van enthousiasme en deels als gevolg van het vasten, waaraan hij zich houdt sinds hij zich in december bij het vrije Syrische leger (FSA) heeft aangesloten. Hij is geen deserteur, zoals de meeste van zijn kameraden, maar een burger uit Aleppo die uit afschuw over de misdaden van de regering-Assad de wapens heeft opgenomen. Wat hij over Baba Amro zegt, dateert natuurlijk van voor 4 februari, de dag waarop het Syrische leger – het leger van de Assads, noemen de tegenstanders het – de wijk zwaar begon te bombarderen, waarbij honderden doden vielen. Tot die dag werd Baba Amro beschouwd als een ‘vrije wijk’.

Het is het type volkswijk aan de rand van de stad waar de gewone burgers in normale tijden geen voet zetten, een wijk met betonnen flats van vier, vijf verdiepingen, soms afgewerkt met gepolijste steen, maar meestal onvoltooid, dicht tegen elkaar aan, vuurtje op de stoep, ondanks het gevaar van een granaatinslag: „Insjallah”, lachen de mannen.

Op een ochtend worden we wakker van geweervuur dat heftiger klinkt dan anders. Soldaten stormen het appartement binnen, schudden degenen die nog slapen wakker, halen automatische wapens, munitie en granaatwerpers uit de kamer die als wapendepot dient. We rennen achter ze aan naar het hoofdkwartier, en verder, een straat met hoge gebouwen in, en naar boven. In een verwoeste kamer schiet een strijder onophoudelijk met zijn mitrailleur door een gat van een granaat in de muur; een andere vuurt in de salon schoten af met zijn rusi, zoals men hier een kalasjnikov noemt; de lucht van cordiet vult het appartement.

We krijgen uitleg: een sluipschutter is vanaf het grote, nog in aanbouw zijnde gebouw aan de overkant op burgers gaan schieten, er zijn vier slachtoffers gevallen. Het FSA zet de tegenaanval in, om hem te verjagen. Het duurt zo’n vier uur, waarin wij van het ene appartement naar het andere kruipen om te zien wat er gebeurt. De stellingen van het regeringsleger zijn niet ver weg, 200 tot 400 meter, als we een blik naar buiten wagen, kunnen we de zandzakken onderscheiden.

Wanneer we op een dak zijn horen we kogels fluiten en in de muren slaan; af en toe trilt de lucht door het geknal van een granaatwerper. Het doel van het FSA is niet om de vijandelijke stellingen in te nemen, het wil alleen de sluipschutters dwingen zich terug te trekken en te stoppen met schieten op burgers.

Baba Amro is niet zonder slag of stoot ingenomen. In november, de vorige keer dat fotograaf Mani hier was, controleerde een post van het regeringsleger nog een kruispunt in het centrum en de sluipschutters schoten vandaar de straten in, waardoor ze de wijk feitelijk in stukken verdeelden. „Het lukte ons ze te omsingelen”, vertelt een van de mannen van Hassan. „En zo sneden we hun aanvoerlijnen af. En toen de waarnemers van de Arabische Liga kwamen, begin januari, hebben we van de gelegenheid gebruik gemaakt om te onderhandelen over hun aftocht, zonder bloedvergieten. Aan het eind van de straat is nog steeds een controlepost, maar die is nu veel kwetsbaarder en er wordt niet meer op burgers geschoten, omdat ze bang zijn voor ons antwoord daarop.”

Burgers beschermen, dat is voor de strijders van het vrije leger het doel van hun missie. „Het leger zou principieel neutraal moeten zijn”, doceert op een middag luitenant Abdel Razzak Atkas, een van de leiders van de Katiba Al Faroek. Hij beweert dat hij de eerste officier van het Syrische leger was die deserteerde, in juni 2011. „Het leger is er om het volk en de staat te beschermen. Maar het doet het omgekeerde.”

B., de vrijwilliger uit Aleppo, die ’s avonds voor zijn kameraden prachtige, klassiek Arabische gedichten voordraagt, zegt het bloemrijker dan zijn commandant: „Wij, wij strijden voor ons geloof, voor onze vrouwen, voor onze grond, en als laatste om onszelf te redden. Zij, zij vechten alleen maar om hun eigen huid te redden.”

Soldatenpas

Bijna alle soldaten van het FSA hebben voordat ze deserteerden moeten deelnemen aan repressieve operaties. Maar weinigen willen toegeven dat ze mensen hebben gedood. „Ik? Ik heb in de lucht geschoten”, zeggen ze bijna allemaal. Maar hun afschuw van wat ze moesten doen en hun schuldgevoel zijn duidelijk. Die voel je in de dwingende manier waarop ze je hun soldatenpas onder je neus duwen, als je ze ontmoet. De getuigenis van een oud-soldaat die we een paar uur later tegenkomen in het centrum van de stad, geldt voor hen allemaal: „Ze stuurden ons de straat op om tegen gewapende bendes te vechten. Ik zag geen gewapende bendes. De officieren zeiden tegen ons: munitie kost niks, schiet maar, schiet maar, zoveel je kunt.”

De deserteurs beschrijven een regeringsleger dat totaal in verval is. Verschillende keren maakte ik zelf mee dat FSA-officieren duidelijke, gedetailleerde inlichtingen kregen van soldaten die nog wel in het leger zaten; ook kregen ze van hen, voor geld of voor de goede zaak, wapens en munitie. Luitenant Atlas zal me later vertellen hoe hij in mei had geprobeerd met andere officieren de muiterij van twee brigades en een bataljon op touw te zetten. „Alles was klaar. Maar de anderen wilden het niet doorzetten, ze waren bang dat we vermorzeld zouden worden door de luchtmacht.” Dat is de reden waarom bij elke demonstratie weer wordt gevraagd om een no-flyzone, een vraag die het Westen niet begrijpt, want anders dan Gaddafi heeft Bashar al-Asssad zijn luchtmacht nog niet tegen burgers ingezet. „Als wij een no-flyzone krijgen”, benadrukt Atlas, „zal de helft van het leger gaan muiten. Dan is het afgelopen met het regime.”

„Het is een leger van dieven”, gromt onderofficier Aboe Amar. Wie het kan betalen blijft eruit, alleen de armen moeten er wel in. Het is een zwak leger, dat niet functioneert. Het dient alleen maar om de alevitische gemeenschap te spekken.” Deze afsplitsing van het sji’isme, die door veel moslims wordt beschouwd als ketterij, is de godsdienst van de al-Assad-clan en van de meeste militaire leiders.

In het FSA zitten weinig alevieten maar er zijn er wel. Ik ontmoet een van hen, Fadel, bij een controlepost in Baba Amro: „Toen ik zag hoe het leger burgers doodde”, legt hij me uit, in het bijzijn van zijn kameraden, „zei ik tegen mezelf: ‘Ik hoor niet bij hen, ik hoor bij het volk.’ Niet: ‘Ik ben aleviet, dus ik hoor bij de alevieten.’ Nee. Als zij kwaad doen, probeer ik goed te doen.” Toch bestaat het vrije leger grotendeels uit sunnieten en dat is te zien aan hun symbolen, de namen van katibas, (militaire groeperingen) zoals ‘Khalid ibn Walid’ (eerste generaal van de Profeet) of ‘Kawafil el-Shuhada’ (karavaan der martelaren). Daar is veel kritiek op. „Waarom kiezen ze dat soort namen”, roept M. uit, zelf ook sunniet, een activist die naar Beiroet is gevlucht. „Het is onze revolutie, niet de revolutie van de Profeet! Wij hebben onze eigen martelaren, laten ze daarvan de namen nemen.”

Als de revolutie wordt gesunnitiseerd, gloort uiteindelijk de verleiding van de jihad. Dat is dan ook de grootste bedreiging voor het vrije leger, want het zou Bashar al-Assad in de kaart spelen. Maar dat argument brengt de FSA-officieren in Homs niet op andere gedachten. Abdel Razzak Atlas is er heel duidelijk over: „Als het zo doorgaat, worden we inderdaad zoals Al-Qaeda. Als de wereld ons in de steek laat en Assad blijft steunen, moeten we wel oproepen tot de jihad, om medestrijders in de moslimwereld te werven en het conflict internationaal te maken.” En hij benadrukt dat hij niet de enige is die er zo over denkt, het militaire comité van Homs heeft het besproken en iedereen was het erover eens. Andere officieren zullen dit later tegenover mij bevestigen. Toch is het goed te bedenken dat dit geen religieuze radicalisering is, maar strategische berekening, hoe naïef die ook lijkt. Atlas denkt dat het oproepen tot de jihad zal leiden tot chaos, net als in Irak, misschien zelfs tot oorlog in de regio en dat het Westen dan eindelijk zal ingrijpen. Deze jonge Syrische officier weet weinig van de logica en spanningen in de buitenwereld. Maar hij verwoordt de smeekbede van de massa’s die zijn opgestaan tegen het regime: „Het volk wil dat de NAVO ingrijpt!” Een maand geleden was dat nog niet het geval; de wanhoop heeft het spel nu een andere wending gegeven.

Het lijk, al wasbleek, in zijn wade gewikkeld, een plastic bloemenkrans om het hoofd, ligt in een hoek van de moskee. Naast de katafalk knielt een jongen in tranen, zijn broer, die met oneindige tederheid het gezicht streelt. De dode was dertien jaar. Hij is de vorige nacht aan zijn eind gekomen bij zijn voordeur. Zijn vader, met opgezwollen ogen maar recht en waardig te midden van zijn naasten, vertelt: „Ik denk dat hij zich moest bijlichten met zijn mobieltje. En de sluipschutter heeft hem neergeschoten.”

Het was noch een ongeluk, noch toeval. Hun straat ligt voortdurend onder vuur van deze sluipschutter die, verstopt in de buurtschool, oefent op katten als hij geen ander doelwit heeft. „We durven zelfs de vuilnisbak niet meer buiten te zetten”, voegt een buurman toe. Een andere man laat me op zijn mobieltje het lijk van zijn broer zien, neergeschoten terwijl hij zijn zoon van elf beschermde, voordat hij me uitlegt hoe hij de muren tussen zijn huis en dat van zijn buren heeft moeten doorbreken om naar buiten te kunnen zonder zich bloot te stellen.

Het zijn Abu Bilal, Abu Adnan en Omar Telaoui, drie informatieactivisten, die ons die ochtend hebben meegenomen naar de begrafenis van de kleine jongen. Het is 26 januari. Na de begrafenis proppen we ons met zijn zevenen in hun auto om naar een meer oostelijke wijk te rijden, Karam al-Zeitoun. Op elke brede straat, door de mensen shawari almaout ofwel dodenstraten genoemd, geeft de chauffeur plankgas om schoten te ontwijken. Vlak voor ons wordt geschoten. We draaien abrupt een zijstraatje in. Mensen rennen, anderen wachten langs de kant van de straat, zich verschuilend.

We stuiven een geïmproviseerde EHBO-post binnen. Het personeel staat om een jongeman heen bij wie de onderkant van de schedel door een kogel is doorboord. Hij schiet overeind, spuugt een straal bloed uit, richt zich weer op, spuugt opnieuw; de verzorger, die niet eens arts is, kan niets doen, ze verbinden zijn hoofd en duwen hem in een taxi om hem naar een kliniek te brengen. Een getuige vertelt: het slachtoffer, 27 jaar volgens zijn identiteitskaart, is geraakt voor de Said ibn Amer-moskee, hier vlakbij, terwijl hij medicijnen naar zijn ouders bracht; een uur eerder is er een andere man gedood terwijl hij deze moskee uitkwam, door een kogel dwars door zijn hals.

De getuige heeft niet eens tijd om zijn verhaal af te maken als er twee nieuwe gewonden worden binnengebracht, een volwassen man die boven in zijn borst is geraakt en een gesluierde vrouw die angstig met haar ogen rolt en wier kin verbrijzeld is door een kogel. Het is dezelfde sluipschutter als bij de eerste jongen, elke keer mikt hij op de hals, deze vrouw heeft geluk gehad. De man hijgt en grijpt krampachtig de hand van Mani vast; hij wordt op zijn beurt geëvacueerd in een bestelbusje, terwijl een vriend naast hem ligt om het infuus vast te houden.

De activisten filmen, Omar becommentarieert de scène voor de camera, we baggeren door het bloed, Abu Bilal grijpt zich naar het hoofd, al helemaal overstuur. Toch is dit pas het begin. Terwijl er getuigen worden ondervraagd die bij de verzorger staan, wordt er opnieuw getoeterd en rennen we terug.

Het is een complete chaos. De twee gewonden die men naar het ziekenhuis had proberen te brengen zijn teruggebracht, dood; het verplegend personeel is druk doende met drie andere gewonden, slachtoffers van een granaat voor een andere EHBO-post; op de tafel sterft een vierde man voor mijn ogen, met een korte siddering, zonder dat ik het zelfs maar in de gaten heb. Ik probeer een van de gewonden vragen te stellen, maar op dat moment wordt er een baby binnengebracht die in zijn lies is geraakt.

Lynchen

Verderop in de straat dromt een opgewonden menigte samen. Een aanval, een granaat? Iedereen begint te rennen en als ik aankom, zie ik hoe Mani door woedende mannen tegen een muur wordt gedrukt om hem het fotograferen te beletten. „Het is een shabiha”, weet hij nog uit te brengen. „Ze zijn hem aan het lynchen.” Shabihas zijn militieleden, voor het merendeel alevieten, die vanaf het begin van de onlusten door het regime zijn gerekruteerd voor de smerigste acties. Aan de rand van de alevietenwijk van Homs bestoken zij voortdurend de naburige sunnitische straten met mitrailleurvuur van achter hun blokkades en maken dagelijks slachtoffers; getuigen spreken ook over verkrachtingen, martelingen, andere wreedheden. Waar de rebellen de soldaten en zelfs de mukhabarats, de leden van de geheime dienst, die ze gevangen nemen rekruteren of uitwisselen, worden de shabihas die in hun handen vallen standrechtelijk geëxecuteerd.

Even later als we deze wijk eindelijk hebben weten te verlaten, ten koste van een te lange rit door de brede sluipschuttersstraat, zal ik deze shabiha toevallig weer in het oog krijgen, naakt, onder het bloed, de handen gebonden, het hoofd verbrijzeld, terwijl hij in triomf wordt rondgereden op een pick-up van het Vrije Syrische Leger, onder Allah-u-akbar-gejoel van de bevolking.

Drie dagen later, op een zondag, is het in Bayarda, een oppositiebolwerk ten noorden van de stad, dat de moordpartijen zich herhalen. Deze keer hoeven we het pand waarin we logeren zelfs niet te verlaten; de EHBO-post bevindt zich op de begane grond. De eerste gewonde arriveert vlak voor het middaguur, zijn buik doorboord door een kogel terwijl hij zijn kinderen probeerde te beschermen tegen de schoten van een sluipschutter die in een hinderlaag lag op het dak van de observatiepost van de wijk; zijn zoon volgt even later, met twee uiteengereten vingers.

Een andere man is al op diezelfde plek omgebracht, wordt ons verteld. Twee uur later streel ik een jongetje van tien met dik zwart haar, terwijl de arts zijn handen met gaas aan elkaar bindt. De kogel die zijn borst heeft doorboord, heeft hem op slag gedood. Zijn neef kijkt naar het kleine lichaam en snikt: „Loof de Heer, loof de Heer.” Voor het vallen van de avond komt er nog iemand binnen, een man die in zijn longen is getroffen maar het op het nippertje zal overleven. In de buurt van een brede laan wordt me een lange metalen stang getoond, waarop aan het uiteinde een haak is gelast: hij dient om gewonden te bergen, en ook doden. De sluipschutters schieten op alles en iedereen, vrouwen, kinderen, eerstehulpverleners, zomaar, absoluut zomaar. Of het moet zijn om de weerspannige bevolking van de opstandige wijken te straffen, die zich collectief hebben schuldig gemaakt aan de weigering het hoofd in de schoot te leggen en zwijgend te gehoorzamen aan hun Heer en Meester.

Afgesneden keel

Ik wilde de begrafenis bijwonen van de kleine jongen, die Taha heette, maar die kon pas plaatsvinden na mijn vertrek: de mukhabarats wilden zijn stoffelijk overschot niet vrijgeven zolang zijn vader geen verklaring had ondertekend dat zijn zoon was gedood door ‘terroristen’, oftewel het FSA, uiteraard. Het wordt nog erger. Op de dag van het bloedbad in Karam al-Zeitoun, in de middag, vernemen de activisten dat een hele familie thuis is uitgemoord, in de wijk Nasihine. Bij het vallen van de avond gaat Mani er naar toe met FSA-soldaten om de lijken te fotograferen: elf mensen, onder wie vijf kinderen, drie met afgesneden keel. Het was een sunnitische familie die aan de rand van een alevitische wijk woonde; de door Mani verzamelde getuigenverklaringen wijzen op een sektarische provocatie. Op datzelfde moment is er ook nog een familie van zes afgeslacht, onder wie vier kinderen, gedood door een kogel in het hoofd of in het oog; maar de lichamen zullen pas de volgende maandag kunnen worden geborgen vanwege hevige gevechten in de oude stad.

Op de avond van het bloedbad in Nasihine heeft het FSA een represailleoperatie opgezet. Maar ze hebben ervoor gezorgd dat ze alleen maar militaire doelen onder vuur nemen: de blokkades waardoor de vlucht van de moordenaars was gedekt en een gebouw van de militaire veiligheidsdienst.

De officieren van het FSA doen er alles aan, net als de activisten, om een sektarische ontsporing van de revolutie te voorkomen. „Wij zijn ons ervan bewust dat het regime op een religieuze confrontatie aanstuurt”, zal Muhannad al-Oumar me uitleggen, een van de leiders van de Militaire Raad van Baba Amro. „Ja, als het conflict aanhoudt, is het waarschijnlijk dat we op een sektarisch conflict afstevenen, want de alevitische gemeenschap staat ondubbelzinnig achter het regime. Maar als het regime valt, komen er geen represailles. Degenen die moorden hebben gepleegd, zullen berecht worden, maar de alevitische gemeenschap zal krijgen wat haar toekomt, zoals alle Syriërs. We kunnen hen niet overslaan. Ze maken deel uit van de Syrische samenleving, net als wij.”

Niemand ontkent dat er alevitische burgers zijn die al het slachtoffer zijn geworden van ontvoering – vaak om als wisselgeld te dienen – of moord. De activisten met wie ik gesproken heb, wentelen de verantwoordelijkheid daarvoor af op ongecontroleerde groepjes, voornamelijk bedoeïenenfamilies met een sterke bloedwraaktraditie; ondanks alle bemiddelingspogingen slagen noch het FSA noch de burgeractivisten erin de bedoeïenen ervan te weerhouden zich te wreken op onschuldige alevieten, vooral wanneer hun vrouwen of kinderen zijn verkracht of gedood.

Het regime profiteert uiteraard van dit geweld door zijn tegenstanders als terroristen af te schilderen. Toch moet er, denk ik, een onderscheid worden gemaakt tussen een systematisch beleid, zoals dat van het regime dat de etnische confrontatie aanwakkert en religieuze moordpartijen uitlokt, en de onmacht van een gezag dat nog in een embryonale staat verkeert en onder grote druk staat, dat er niet in slaagt de meest extremistische elementen uit zijn gelederen in toom te houden.

Religieuze confrontatie

In Bayarda heb ik, kort na de dood van Taha, een filmmaker uit Damascus ontmoet. „Er is hier sprake van een religieuze confrontatie, onmiskenbaar”, erkent hij. „Aan beide kanten wordt serieus over etnische zuivering gesproken. Dat gebeurt vooral in Homs, elders bestaat het niet. Ikzelf ben niet godsdienstig. Als ik hier niet ben, dan wordt het een sektarische oorlog. Als alles zich in de goede richting ontwikkelt, als een betere versie van de revolutie zegeviert, dan hoeft het in Homs niet uit de hand te lopen.” Maar dat is nog lang geen bekeken zaak. Sinds mijn vertrek, op twee februari, valt Homs dagelijks ten prooi aan zware bombardementen die volgens een telling van het Syrische Bureau voor de Mensenrechten al meer dan 718 slachtoffers hebben geëist. De communicatielijnen zijn bijna volledig afgesneden, er is geen brood meer, de EHBO-posten worden overstroomd met gewonden.

Het Westen en de Arabische Liga, die niets kunnen uitrichten tegen het Russische en Chinese veto, spreken over blauwhelmen, over humanitaire corridors. Dat roept slechte herinneringen op. Tussen 1993 en 1995, toen ik in Bosnië was, zijn er meer dan tachtigduizend mensen gedood voor de ogen van journalisten en hulpverleners van over de hele wereld, en van de blauwhelmen die alleen toestemming hadden om op dol geworden honden te schieten. Als je de Syriërs niets beters kunt bieden, kun je hen net zo goed aan hun lot overlaten. Dat zou eerlijker zijn.

Jonathan Littell voor Le Monde 2012. De hele serie is te lezen in nummer 8 van 360 het beste uit de internationale pers, dat nu verkrijgbaar is. Zie ook 360.mag.nl