Bij vissen ruikt angst zoet

In de jaren dertig van de vorige eeuw gebeurde er iets ergs. Een visje van een Oostenrijkse dierenonderzoeker raakte beklemd onder een voederapparaat. Natuurlijk bevrijdde de bioloog het – maar een beetje beschadigd was het wel, toen hij het teruggooide.

Er gebeurde toen iets raars bij de andere vissen. Normaal waren die supertam, maar nu waren ze opeens angstig. Ze hielden zich schuil, of zwommen in paniek weg. Ze bleven ook nog heel lang bang, alsof iets ze schrik blééf aanjagen.

En dat was ook zo. Een stofje in het water, een stofje van het slachtoffer. Dat waarschuwde ze. De Oostenrijkse bioloog bedacht dat zo’n stofje vrijkomt als een vis beschadigd wordt. Hij noemde het ‘schrikstof’. Daardoor weten vissen binnen de kortste keren dat een ander iets is overkomen. Iedereen houdt zich opeens gedekt of let extra op. Er is vast een snoek, baars of haai van het schooltje vis aan het eten.

Onderzoekers in Singapore hebben het nu eens precies uitgezocht (ze schrijven erover in Biology Letters). De schrikstof zit niet in de huid zelf, maar dicht op de huid: in de slijmlaag. Die zit als een beschermende jas om de vis, en kan óók beschadigen. Daarom moet je een vis altijd met natte handen beetpakken, behalve als je hem toch gaat opeten. In een mooie slijmlaag zit het schrikstofje goed opgesloten. Maar bij geweld van bijvoorbeeld roofvistanden komt het snel vrij en verspreidt het zich door het water.

Vissen kunnen ruiken als de besten, en op dit stofje reageren ze razendsnel. Bij zebravisjes heet het ‘chondroïtine’. Het is een suikerachtige stof. Angst ruikt dus zoet, voor vissen. Zo valt veel raadselachtig vissengedrag te snappen. Het is net of zo’n slachtoffervisje heel hard ‘help’ gebubbeld heeft, en iedereen denkt: o jee, ik help. Mezelf. Nee, het gevangen of gewonde visje schiet er niets mee op. Maar zijn groepsgenoten, met familieleden, wel. Jammer voor de snoeken, baarzen en haaien. Eén lekker visje smaakt naar meer. Maar nu moeten ze helemaal opnieuw op zoek.

Frans van der Helm