Zijn we goddelijke vuurapen of een rebels organisme?

De mens, schrijft Mark Lynas in De mens als god, is ‘de enige soort die geleerd heeft systematisch een externe energiebron te benutten’. Hij definieert ons daarom als Homo pyrophilus of vuuraap. Na het vuur ontdekten mensen ‘ondergronds opgeslagen fossiele biologische koolstof’ – turf, steenkool, olie en gas – als een voortreffelijke brandstof. Deze ‘energetische springplank’ heeft de mens een ongekende macht gegeven en dus ook een ongekende verantwoordelijkheid. Net als in zijn eerdere boek Zes graden (door de Britse Royal Society bekroond als ‘beste boek over wetenschap’ in 2008 ) onderzoekt Lynas de ecologische grenzen van het menselijk handelen. In Zes graden ging het nog alleen over klimaatverandering, in zijn nieuwste boek beschrijft hij veel meer terreinen waar de rek er volgens hem bijna uit is.

Zes graden had een apocalyptisch karakter. Lynas beschreef op basis van de wetenschappelijke literatuur de gevolgen voor iedere graad Celsius die de aarde warmer wordt als het versterkte broeikaseffect doorzet. Het hoofdstuk over een zes graden warmere planeet – de bovengrens in de modellen van het IPCC, het wetenschappelijke klimaatpanel van de Verenigde Naties – gaf hij zelfs een soort disclaimer mee: ‘de beelden kunnen als schokkend worden ervaren’. Alleen het laatste hoofdstuk, getiteld ‘de keuze voor onze toekomst’ kende een optimistische draai.

In De mens als god gaat Lynas verder waar hij in Zes graden is geëindigd. Hij baseert zijn betoog op de onderzoeksresultaten van een internationale groep van experts onder leiding van de Zweedse wetenschapper Johan Rockström, die van negen probleemgebieden (variërend van klimaatverandering en biodiversiteit tot beschikbaarheid van zoetwater, landgebruik en verzuring van de oceanen) limieten heeft gekwantificeerd. Hun werk herinnert aan dat van de Club van Rome, die in 1972 waarschuwde dat er ‘grenzen aan de groei’ zijn. Met één belangrijk verschil: hoewel ze ervan uit gaan dat ‘het systeem aarde inherente ecologische limieten kent,’ sluiten ze economische groei niet uit.

De wereld lijkt in Lynas’ visie op een spelletje Jenga, met van die houten blokjes waar je er steeds een van weghaalt. Dat gaat lang goed, tot ineens het hele bouwwerk instort. Dat moment moeten we voorblijven. Neem de biodiversiteit. Zo lang er voldoende complexiteit, diversiteit en weerbaarheid in het systeem zit, behoudt het zijn vitale functies. Door die complexiteit, diversiteit en weerbaarheid te kwantificeren, weet je waar de grens ligt. Vervolgens is aan ons om te kiezen ‘of we een rebels organisme zijn dat voorbestemd is de biosfeer te vernietigen, of goddelijke apen die gezonden zijn om de aarde intelligent te beheren en haar van onszelf te redden.’

De mens als god is prettig geschreven. Lynas weet ingewikkelde materie eenvoudig en beeldend uit te leggen. En hij durft uitgesproken standpunten in te nemen. Zo noemde hij kernenergie in zijn vorige boek nog te controversieel, vanwege de kans op ongelukken met kerncentrales, de verspreiding van kernwapens en het onopgeloste afvalprobleem. Maar inmiddels is hij tot de conclusie gekomen dat de mensheid kernenergie nodig zal hebben om zichzelf te redden. Net als alle andere technologische middelen – dus ook het omstreden ‘geo-engineering’, met behulp van technologie sleutelen aan het klimaat.

Zijn boek is daarmee ook een aanklacht tegen de milieubeweging – waaruit hijzelf is voortgekomen, die de mens blijft afschilderen als het kwaad en daarom weigert oplossingen te accepteren die voortkomen uit het menselijk vernuft. Terwijl de mens, volgens Lynas, de aarde alleen kan redden als hij zijn rol als God serieus neemt.