Wie zegt wat goed is voor het volk?

In zijn nieuwe boek reconstrueert Roel Janssen het ontstaan van de euro met verschillende direct betrokkenen. Het beeld dat hij schetst valt niet mee: Duitsers die driemaal buigen voor de Franse vlag en niemand die stilstond bij de risico’s van een gemeenschappelijke munt.

Een brandje van Occupy-activisten bij de Europese Centrale Bank in Frankfurt op 3 november j.l. Foto AP/Michael Probst

Roel Janssen: De euro. Twintig jaar na het verdrag van Maastricht. De Bezige Bij, 224 blz. € 16,90

Wie in de ontstaansgeschiedenis van de euro duikt, kan maar tot één conclusie komen: de euro heeft niets met economie te maken maar alles met politiek. Haarfijn legt Roel Janssen in zijn nieuwste boek De euro bloot hoe de euro het speeltje was (en is) van politici. De hoofdrolspelers bij het tot stand komen van het Verdrag van Maastricht – de befaamde Europese top in 1991 waar het fundament werd gelegd voor de muntunie – laat Janssen uitgebreid aan het woord. Zij hebben een ideaal. Wim Kok formuleert zijn ideaal zo: ‘Landen met dezelfde munt zouden nooit meer oorlog tegen elkaar voeren’.

Anderen laten in het midden of zij die drijfveer delen. Wilfried Martens, de toenmalige Belgische premier, suggereert dat op een top van regeringsleiders een paar jaar voor Maastricht de conclusie was getrokken dat de Europese interne markt ‘niet optimaal kon functioneren zonder een eenheidsmunt’. Ook Ruud Lubbers ziet een soort onvermijdelijkheid: ‘We hebben een interne markt bereikt en nu moeten we naar een single currency.’ Opvallend aan het boek van Roel Janssen is dat nergens te vinden is waar deze onvermijdelijkheid nu eigenlijk uit voortkomt. Sceptici van de euro kunnen in zijn boek een bevestiging zien van de arrogantie van politici die denken te weten wat goed is. Voor een interne markt heb je immers geen gemeenschappelijke valuta nodig.

Die sceptici kunnen nog verder hun gelijk halen. Behalve onvermijdelijkheid speelt ook de term ‘onomkeerbaarheid’ een centrale rol. De invoering van de euro moest niet meer terug te draaien zijn door toekomstige regeringsleiders. Roel Janssen haalt Wim Kok aan, die Kohl hoorde zeggen tegen Mitterrand dat ‘„unsere Nachfolger” niet in staat moeten zijn de euro terug te draaien.’

Was het arrogantie, of was het het blind volgen van een ideaal, misschien wel Wim Koks inzicht dat een gemeenschappelijke munt de beste garantie was tegen nieuwe conflicten en oorlogen op het Europese continent?

Als ik volg wat Roel Janssen heeft opgetekend uit de mond van de voormalig Belgisch premier Martens en vijf Nederlanders – Lubbers, Kok, Hans van den Broek (toen minister van Buitenlandse Zaken), Cees Maas (topambtenaar op Financiën) en Andre Szász (toenmalig directeur van De Nederlandsche Bank) – speelde Frans opportunisme een belangrijke rol.

Andre Szász, die het meest overtuigend naar voren komt in het boek, ziet Frankrijk als een land dat altijd bezig is met zijn strategische positionering. Frankrijk wilde zich manifesteren en hiertoe moest de macht van de Duitse Bundesbank worden ingeperkt. Frankrijk wilde ook een alternatief voor de dominantie van de dollar. Mitterrand kwam tot de conclusie dat met de overheveling van het monetaire beleid van het nationale niveau naar het Europese twee vliegen in een klap konden worden geslagen. De euro kon tegenwicht bieden tegen de door Frankrijk verachte Amerikaanse dollar en met een Europese monetaire unie kon de macht van Duitsland worden ingeperkt.

Tegenwicht

De Berlijnse muur was net gevallen, en de hereniging met Oost-Duitsland was Duitslands grote wens. Dit zag Frankrijk als het moment waarop het Duitsland kon bewegen de macht van de Bundesbank op te geven in ruil voor de eenwording. Ook Lubbers wijst hierop: Frankrijk wilde (en kreeg) de gemeenschappelijke munt als tegenwicht.

Machtspolitiek en idealen domineren het beeld. Verbijsterend is dat in het hele boek van Roel Janssen de kiezer niet wordt genoemd. Was er wel sprake van democratische legitimatie? In het Nederlandse en Belgisch parlement was er rond 1990 een soort automatische steun voor het Europese project. In landen waar de kiezer werd geraadpleegd – Ierland, Frankrijk en Denemarken – ging het veel moeilijker. Later is de weer stand alleen maar groter geworden, met als hoogtepunt de nee-stem bij referendum van Nederland en Frankrijk in 2005 tegen het Verdrag tot een Grondwet voor Europa.

Verschillende hoofdrolspelers suggereren dat ten tijde van het Verdrag van Maastricht direct had moeten worden doorgepakt naar een politieke unie. Dit was ook de Nederlandse inzet, maar de poging daartoe werd een groot diplomatiek fiasco’s. Op ‘zwarte maandag’, 30 september 1991, bleek alleen België het Nederlandse voorstel te steunen. Wellicht was een andere afkomst mogelijk geweest, de ruimte van politici om hun eigen ideeën door te voeren was hoe dan ook groter dan nu.

Duidelijk blijkt uit De euro hoe weinig er bij de uiteindelijke besluitvorming over de euro is stilgestaan bij de risico’s die een gemeenschappelijke munt met zich meebrengt. Cees Maas zegt in het boek dat er ‘nooit over nagedacht was of het wel zo verstandig was om landen met totaal verschillende sociaal-economische, politieke en fiscale tradities in een muntunie bij elkaar te zetten.’ Wim Kok verklaart dat hij hij de critici toen ‘niet gehoord’ heeft.

Vreemd, want zoals Szász aangeeft, spreekt H.J. Witteveen, de minister van Financiën in het kabinet-Marijnen, al in 1965 de profetische woorden: ‘Een monetaire unie betekent dat lidstaten elkaar een blanco cheque zouden geven.’ Witteveen benadrukt dat coördinatie alleen niet genoeg zal zijn. Men zal een ‘centrale greep’ moeten hebben op monetaire en begrotingszaken. Witteveen baseerde zich hierbij op het werk van Robert Mundell over optimale valutagebieden, waarvoor Mundell nota bene in 1999 – bijna gelijktijdig met de invoering van de euro – de Nobelprijs in de economie kreeg. De conclusie moet dus zijn dat de euro inderdaad een politiek project was en dat critici er wel waren, maar niet gehoord werden.

Weinig geruststellend is cruciale positie van Frankrijk die uit Janssens boek naar voren komt. Dat opereert niet alleen als de meest strategische en meest op het eigenbelang gerichte partij (Cees Maas: ‘Frankrijk let heel goed op zijn eigen zaken’), maar krijgt ook alle ruimte van met name Duitsland. Ruud Lubbers citeert Kohl die zegt, ‘bij alle belangrijke momenten begin ik eerst drie keer te buigen voor de Franse vlag.’ Een verdere eenwording van Europa lijkt lastig te combineren met een dergelijke strategisch opererende, en louter op het eigen belang gerichte partij.

Belastingen

Maar hoe dan ook, de huidige toestand vereist volgens mij in ieder geval een zorgvuldig en afgewogen democratisch proces. Als we nu overgaan tot een soort permanent hoofdelijk aansprakelijk staan voor elkaar (via de uitgifte van eurobonds bijvoorbeeld) wordt een onomkeerbare stap naar een Verenigde Staten van Europa gezet met dito verantwoordelijkheden en bevoegdheden in Brussel. Het lijkt mij niet dat Brussel onze belastingen kan gaan heffen zonder de kiezer daarover eerst te raadplegen.

Natuurlijk moet er nu wel handelend worden opgetreden. Het oplossen van de eurocrisis vereist noodmaatregelen en het strak handhaven van begrotingsdiscipline. Ook zal er veel strenger naar banken gekeken moeten worden. De eurocrisis en problemen in het bankwezen zijn immers nauw verweven. En ook dat vereist een zwaardere rol van Brussel. Dus enige soevereiniteit moet worden opgegeven, maar dit is iets anders dan een Verenigde Staten van Europa.

Hoe het verder zal gaan is een open vraag. Hans van den Broek constateert terecht dat de mogelijkheden tot verdere intensivering van de Europese samenwerking minder zijn dan indertijd. Hij koppelt dit aan de 27 lidstaten die we nu hebben in plaats van de 12 van destijds. Ik denk dat het veel eerder met het tijdsbeeld te maken heeft. De ruimte die ‘staatslieden’ vroeger hadden om te doen ‘wat goed was voor hun volk’, of je dit nu paternalisme, arrogantie of leiderschap noemt, is veel minder geworden.